Project Elburg

Dit verhaal begint op de veerboot van Terschelling naar Harlingen. Na een prachtig weekend op het Waddeneiland voeren we terug naar huis. De piepstok was niet mee en ik had hem ook niet gemist. Toch begon het op de boot al weer te kriebelen. Het kwam door een mailtje van een mij onbekende man uit Elburg. Via mijn website vroeg hij mij om hulp voor een vriend zonder internet. Er zou een bodemonderzoek bij een oude boerderij nodig zijn. Nou, over zulke verzoeken hoef ik niet lang na te denken. Bij thuiskomst bel ik meteen het nummer uit de mail. Ik krijg Cor aan de lijn. Een 80-jarige man uit Elburg. Hij was op zoek naar iemand die een gasleiding zou kunnen opsporen. Er was een grote boom omgewaaid en ergens in de buurt zou een gasleiding moeten liggen. Nou, ik wil wel een poging wagen. Niet voor geld hoor, nee, in ruil zou ik graag een rondje met de metaaldetector willen lopen. Deal!

Omdat het die week zeer slecht weer was, spraken we een week later af op een mooie lenteavond. Cor was al 50 jaar de beheerder van de boerderij, want de eigenaren wonen er alleen zo af en toe in de weekenden.

Ik hoefde niet lang te zoeken naar het afgesproken adres. De wortels van de omgewaarde boom staken fier omhoog, ik denk wel een meter of twee. Zo zonde.

De avond ervoor was ik even langs pa gereden om een ‘wichelroede’ op te halen. Mijn vader leerde ons als kleine jongens al hoe je leidingen kunt opsporen. Hij gebruikte daar twee laselectroden voor. Wanneer je de electroden in je hand houdt en langzaam naar voren loopt, bewegen ze vanzelf naar elkaar toe als je een leiding passeert. Iets met natuurkunde, maar vraag me niet hoe het precies werkt. Het leek mij wel handig om ze mee te nemen, aangezien gasleidingen soms ook van kunstof zijn. En dan vind je hem niet met de metaaldetector.

Niet lang na aankomst bij de boerderij kwam ook Cor aanrijden. Na een korte kennismaking kon het onderzoek beginnen. Met de detector vonden we meerdere potentiële leidingen. De eerste was niet de gasleiding, maar de ijzeren leiding tussen stookhok en olietank. Cor kon het zich nog goed herinneren dat de olietank werd geplaatst.
Ook vertelde hij vol trots dat hij in de schuur een mooi bootje had gemaakt. En op mijn vraag of er nog olie in de tank zou zitten (we zitten immers in een energiecrisis), was het antwoord een duidelijk ’nee’. Met de komst van het gas had hij wel raad geweten met de stookolie. Een keer raden..

De gasleiding hebben we uiteindelijk niet kunnen vinden. Het moet toch een kunststof leiding zijn geweest.
Na een aantal gaten van ca 70 cm diep te hebben gegraven en vele scherven verder hebben we het maar opgegeven, al hadden de wichelroede en ik beide een sterk vermoeden waar hij moest liggen. Cor was ervan overtuigd dat hij diep genoeg lag om niet door de loonwerker kapotgetrokken te worden.

Voordat we beiden huiswaarts keerden stelde Cor nog voor om een rondleiding te geven door de oude boerderij. En natuurlijk kon ik daar geen nee tegen zeggen.
Nu begrijp ik waarom de oude man zo trots was, want het interieur bleek nog nagenoeg origineel te zijn. Ik waande mij even in 1863. Wauw. Het leek wel een museum. Vrijwel alles was nog in originele staat. Zoveel handgeschilderde tegeltjes heb ik nog nooit eerder gezien. Wat bijzonder. En teveel om alles goed te kunnen bekijken. Cor baalde van het ene tegeltje op de schouw dat de ’restaurateur’ er op de kop op had geplakt, maar tussen de vele tegels viel het haast niet op.

Mijn ogen werden opeens getrokken richting het schouwspel rondom de schouw. Op de tegeltjes staan torens van de stad Elburg. Bijzonder fraai is de kleurstelling. Het geel en blauw van de provincie Gelderland.

Ik moest even denken aan de verkoper van mijn eerste detector die in Elburg een heus kasteel heeft ontdekt. Zou dit hem zijn?

Cor vertelde lachend dat hij vaker rondleidingen had gegeven, o.a. aan de opgekomen politie nadat het alarm ’s nachts was afgegaan. Ik zie het zo voor mij. Nu we er toch zijn…

Twee weken later ben ik terug op de boerderij om het perceel af te speuren naar metalen uit het verleden. Bij het huis aangekomen zag ik dat de boomwortels al vakkundig waren verwijderd. Cor had zijn klusje geklaard. En de boerderij stond er nog. Het zal je maar gebeuren.

Ik pakte de detector en startte mijn speurtocht. In een uur tijd vind ik er onder andere diverse muntjes, waaronder een 1/2 cent uit 1885 en een vierkante stuiver uit 1929.

Achter het huis ligt een weiland dat ik later die week heb bezocht.

Bij aankomst was het hek dicht en was er niemand aanwezig. Ik app de vrouw van Cor, hij heeft immers geen mobiel, dat ik er ben. ’Veel succes!’ is het antwoord.

Het voelde wel raar om bij vreemde mensen in te breken in hun weiland. Wat zouden de buren wel niet denken? Maar goed, ik had toestemming, dus we gaan ervoor.
Boven mijn hoofd klapperde een ooievaar onrustig met haar snavel. Ze houdt me scherp in de gaten. In het weiland zelf keken nog een paar oogjes mij schaapachtig aan.

Ik vond weer een aantal leuke objecten, waaronder een loden malletje. Ik weet nog niet wat er vroeger in gegoten is. Het heeft de vorm van zo’n kleipijp. Wie weet.
De voor Elburg meest typerende vondst vind ik de stalen hijshaak. Toen ik het vond was het een grote brok roest, maar na een aantal dagen in een badje water geweekt te hebben kwam er toch een fraai design naar voren. Ik vermoed een deel van een oude zeeboei. Elburg was tenslotte een oude Zuiderzeehaven. Op internet vind ik iets vergelijkbaars uit Enkhuizen. Mooi spul. Zo begon het project op zee en sluit ik het ook af met een maritiem tintje.

En Cor? Ik hoop dat hij nog lang van de fraaie boerderij kan blijven genieten. Bedankt voor de gastvrijheid en voor de prachtige verhalen!

Schedepuntbeschermer

Langs de oevers van de IJssel rijdt een ridder op zijn paard. Het moet ergens tussen 1000 en 1200 na Christus zijn geweest. Bij een aanval verliest hij zijn zwaard en zijn houten zwaardbeschermer valt op de grond. Bij deze actie verliest hij zijn schedepuntbeschermer ook wel ‘chape’ genoemd. Zo iets moet het zijn gegaan zo’n 1000 jaar geleden.

Op zondagmiddag 27 maart 2022 wordt de schedepuntbeschermer door mij gevonden. Op dat moment was de functie van het stukje koper van 45x26mm nog niet bekend . Ook had ik geen benul van de ouderdom van het object.

Schedepuntbeschermer

Ondertussen heb ik het onderzoek gestart en ben ik een stuk wijzer geworden over schedepuntbeschermers in het algemeen en over schedepuntbeschermers uit de 11e tot 15e eeuw in het bijzonder. In deze blog neem ik u mee in mijn onderzoek.

De zoektocht naar onbekende metalen begint voor mij altijd op Facebook in de groep Bodemvondsten SN, zo ook dit keer. In deze FB-groep zitten meerdere experts en al snel wordt duidelijk dat het om een zeer oude schedepuntbeschermer gaat. Sandra, de oprichter van het forum, dateert de vondst al direct zo rond de 15e eeuw. Ze heeft diverse voorbeelden gevonden, maar een vergelijkbare zit er niet tussen.

De volgende dag krijg ik opnieuw bericht uit de groep. Collegazoeker Adriaan heeft een bericht gevonden met een vergelijkbaar object. De vergelijking zit hem met name in de 5 knobbels aan de buitenzijde van de beschermer. Eén grote knobbel in het midden en aan beide kanten twee kleinere knobbels. Ik kan niet goed inschatten of hij exact gelijk is, maar de knobbels zijn wel vergelijkbaar.

Adriaan schrijft dat hij wel 2500 verschillende ‘chapes’ bekeken heeft voordat hij deze vond. Erg fijn dat ik hulp krijg bij het determineren.

Het bericht is afkomstig van Kristján Rúnarsson. De IJslander schrijft dat het object afkomstig is uit de tijd van de Salian dynastie. Deze eenvoudige ‘pierced chapes’ waren populair in Duitsland in de 12e-13e eeuw, maar mogelijk dateren ze al uit de tweede helft van de 11e eeuw. Wauw! Hier moet ik meer van weten. De vraag is hoe deze Kristján aan die informatie komt. Om daar achter te komen moet ik in contact met deze viking zien te komen. Dat lukt uiteindelijk ook via Pinterest waar hij meerdere chapes tentoonstelt. Hij blijkt een expert op dit gebied te zijn. Ik besluit hem een bericht te sturen met de vraag hoe hij aan deze informatie komt. Ik kan eigenlijk niet wachten, dus zoek ik ondertussen alvast verder op internet.

De 5-punten dienden als knots

Via Google Translate probeer ik een Duitse vertaling te vinden van schedepuntbeschermer. Het is Ortband. Ik kom uiteindelijk uit bij een document van een Duitse wetenschapper, Uwe Gross, genaamd. In het document vind ik de foto van Kristján terug. Dit is dus zijn bron. De volgende dag krijg ik hetzelfde document ook van de IJslander door. Netjes met bronvermelding. Hij stuurt zijn e-mailadres door. Ik bedank hem voor zijn reactie en vertel hem dat ik denk dat mijn schedepuntbeschermer zo’n 1000 jaar geleden via een Duitser in Nederland terecht is gekomen.

Ondertussen heb ik ook mijn broer in stelling gezet. Hij is gespecialiseerd in stambomen, maar ook in de geschiedenis van Zwolle en omstreken. Hij weet te melden dat de eerste berichten over Zwolle dateren van rond 1040 na Chr. De 11e eeuw dus. Ruud informeert alvast de stadsarcheoloog. Dit kan wel eens een interessante vondst voor Zwolle zijn. Michael reageert de volgende dag dat hij het object graag wil fotograferen. We zijn binnenkort welkom aan de Melkmarkt waar op dit moment het stadsarchief naar toe verhuist.

Natuurlijk heb ik de vondst ook gemeld bij PAN, Portable Antiques of the Netherlands. als het goed is komen ze binnenkort langs om al mijn oude vondsten te registreren voor de wetenschap.

Uwe Gross beschrijft in zijn artikel een vondst genaamd ‘Ortband aus Osterburken’ in Duitsland. Het is niet exact gelijk, maar vertoont wel belangrijke gelijkenissen. Het Duitse exemplaar is overigens een stuk kleiner dan de mijne, namelijk 29x31mm.

De volgende dag zit er een lang bericht van Kristján in mijn mailbox waarin hij mijn theorie min of meer bevestigt.

Hij schrijft: “Ik zou het met je analyse eens moeten zijn, gelet op de twee gaten in dat ding. Ze waren waarschijnlijk bedoeld voor klinknagels die door de zijkant van de kap gingen om hem op zijn plaats te houden op de houten kern van de schede. Deze chape was bedoeld voor een zwaard met een redelijk ronde en brede punt (zoals zwaarden uit de Vikingtijd, die vaak messen van het Ottoonse/Salian-rijk hadden) en de schede waarop deze chape was gemonteerd was een stuk breder dan het blad en redelijk robuust. Ik zou zeggen dat dit de 11e of 12e eeuw is. Als deze puntbeschermer uit de periode 1300-1400 zou zijn, zou ik verwachten dat de chape langer en puntiger zou zijn, omdat zwaarden in de 5e-11e eeuw van hakzwaarden met zware bladen met vrij ronde punten veranderden in puntige, stotende zwaarden met slankere bladen uit de 13e eeuw en verder. De vorm van de chapes weerspiegelt die bladevolutie een beetje. Ook werden de houten kernen van de schedes met de tijd kwetsbaarder. Salische schedes waren nogal zwaar en hadden nogal dikke houten kernen met randen die dik genoeg waren om een ​​spijker door te slaan. Tegen de 14e eeuw maakten ze schedes veel dunner, lichter en delicater. Een Salische schede met zo’n vijfpuntige chape zou je letterlijk als een puntige knots kunnen gebruiken, dat kon je niet met 14-15e eeuwse schedes.

Deze chapes begonnen vrij kort, zoals die uit de Salische periode in het midden van de afbeelding. Die algemene stijl van doorboorde vormen lijkt andere culturen te hebben beïnvloed, zoals de Scandinaviërs en de Kievan Rus. De originele Salische chape evolueerde echter door steeds langer te worden en tegen de dertiende eeuw was hij bijna verdrievoudigd in lengte en puntiger geworden omdat de bladvormen waren veranderd om meer geschikt te zijn voor stoten. In de 14e eeuw kreeg het relatief eenvoudige 13e-eeuwse type veel versieringen met stroken en gravures. Merk op hoe de 14e-eeuwse chape nog steeds de knop heeft aan de onderkant die de Salische chape heeft. Deze vijf knoppen op je chape zijn nogal ongebruikelijk, normaal was er maar één knop aan de onderkant en dat kenmerk bleef bestaan ​​tot het begin van de 15e eeuw, hoewel het toen een decoratie was geworden, vaak had het de vorm van een eikel.

Al met al denk ik dat je daar een vrij belangrijke vondst hebt.”

Kijkend naar de verklaringen van zowel Kristján als Uwe denk ik dat het realistisch is als ik stel dat we inderdaad met een 11e eeuwse vondst te maken hebben. Ben benieuwd of PAN en de stadsarcheoloog mijn visie delen. Wordt vervolgd!

Tussen Spooldersluis en ouderlijk huis

De klok was die nacht verzet naar zomertijd. Het was al halverwege de middag en mijn plan was om nog eens terug te gaan naar het maisland aan de Zalkerveerweg. Lekker zo’n extra uurtje. Helaas reageerde de eigenaar niet op mijn vraag in de app of het weer ok was om daar te gaan zoeken. En toen ik er langs reed zag ik dat ik te laat was. De akker was mooi uitgevlakt en waarschijnlijk weer ingezaaid. Dan maar door naar pa en ma. Ik had nog een landje achter het huis te doen. Voor de derde keer. Nu met mijn nieuwe detector. Wie weet.

Nou, het bleek een interessant uurtje te worden. Na een knoop, duitje, leeuwencent en wat rommel kwam daar een heus rijwielbelastingplaatje uit 1938/1939 uit de grond. Dat was een mooi geluksmomentje, want wat ik vond was een plaatje waarin onze familienaam ’Zwakenberg’ geponst was. Heel bijzonder. Zulke persoonlijke vondsten vind ik niet zo vaak.

Rijwielbelastingplaatje 1938/1939

En ook de koperen ceintuurgesp met de druiventrossen was zeer de moeite waard. Ook die moet van familie zijn geweest, maar het achterhalen van de laatste eigenaresse zal lastig worden. De datering is zo begin 1900. Die generatie is al weer een tijdje uit de tijd. Toch is het een bijzonder object van ca 120 jaar oud.

Ceintuurgesp ca 1900

Toen pa zijn pony’s ging voeren kon ik het niet nalaten mijn vondsten alvast aan hem te tonen. Het plaatje moet van zijn opa zijn geweest zei hij, van Derk Zwakenberg. Ook voor hem was het een geluksmomentje… De gesp kwam hem niet bekend voor.

Ondertussen vond ik ook nog een vreemd gebogen voorwerp met 5 uitstulpingen erop. Er ging niet direct een belletje rinkelen. Daar moeten we later maar eens wat onderzoek naar doen. Kan van alles zijn.

Ondertussen app ik Henk. Henk vraagt regelmatig om kopy voor het wijkblad ’De Papenacker’. Deze vondsten leken mij daar wel geschikt voor, met name doordat het oude adres van onze boerderij, ‘Spoolde A96’ op het koperen plaatje afgebeeld stond. Nou, binnen tien minuten stond hij bij mij met zijn camera in zijn hand en kon het shot geschoten worden.

Vondsten meenteweg

Tja, een zeer mooie buit zo voor een uurtje zoeken tussen Spooldersluis en ouderlijk huis.

Nu nog even een leuke tekst erbij verzinnen en Spoolde is weer op de hoogte. En dat gekromde objectje. Ach, dat blijkt maar ca 1000 jaar oud te zijn. Meer info hierover in een volgende blog.

Filigrain zilveren broche

Broche filigrain zilver

Wat een prachtige vondst heb ik begin maart gedaan. Mijn tweede zilveren sieraard van hetzelfde perceel nota bene. Zilversmid Sand’or heeft hem mooi schoon gemaakt en weer rechtgebogen. Het is een prachtig uniek hart met opgelegde bloemetjes. Het heeft waarschijnlijk op een kledingstuk of hoed gezeten. Datering tussen 1850 en begin 1900.
Ik hoop zo dat ik nog kan achterhalen wie het mooie sieraad gedragen heeft.

Filigrain zilver

EOD op bezoek in Mastenbroek

Vandaag is de EOD op bezoek geweest. Voor de tweede keer in een jaar. Dit keer om twee kleine rifle-granaatjes tot ontploffing te brengen. Ik was afgelopen zaterdag in Mastenbroek op het land waar ik al zoveel mooie dingen gevonden heb. Het was relatief slecht weer. Miezerig was het. Ik had nog 1 half akkertje te gaan. Met de boer had ik afgesproken dat ik moest stoppen als de vogels gaan nestelen en dat moment nadert snel.

In een eerdere blog heb ik al geschreven over de vondsten uit de 2e wereldoorlog. Het was dan ook niet gek dat ik aan een granaatje dacht toen ik dit object vond. Hij lag vlak onder het maaiveld op zo’n 15cm diepte.

Een penis-vorm met een harde punt. Nog niet eerder zo eentje gezien, maar wel linke soep. Ik besluit om hem vlak achter de brug een tijdelijk rustplaats te geven zodat ik hem gemakkelijk terug kan vinden, want deze knaller moet natuurlijk formeel gemeld worden bij de politie. Heel voorzichtig pak ik hem op, leg hem op de handschoen zodat je op de foto enig idee hebt van het formaat van het piemelding. Daarna loop ik samen met mijn enthousiaste Buddy naar het hek van de dam. Best spannend. Is er een kans dat hij spontaan zalontploffen? Zeker wel. Maar hem midden in het land achterlaten is toch ook geen optie.

Na de herbegrafenis op 40 cm diepte loop ik terug naar mijn metaaldetector om het laatste stukkie nog te scannen. En ja hoor. Daar komt er nog een naar boven. Ook deze krijgt een mooi plekje vlakbij de uitgang van het land. Bovenop zijn broertje.

Op maandag direct maar even met de politie bellen. De telefoniste is erg behulpzaam maar heeft werkelijk geen idee. Ze dacht dat je met een metaaldetector in de grond kunt kijken en dan op het display kunt zien wat voor object je gevonden hebt. Was het maar zo’n feest, dan had ik heel wat minder gaten hoeven graven. ‘Dus je hebt de granaat aangeraakt?Eh ja, sorry.’ Mijn collega Dirk zegt altijd ‘Vake bin ie te bange!’

Om 11:00u tref ik de explosieven-agent bij mijn landje. Ik pak mijn pinpointer en graaf de knallers weer op. Met een tandenborsteltje maakt hij één van de piemels schoon, maar herkennen doe hij hem niet. De meetlat komt niet verder dan een schamele 8 cm. Hij is aan de kleine kant.

Dan belt hij de EOD. Foto’s worden gemaild en vanuit Soesterberg komt het bevel om de objecten in het weiland achter te laten en zeker niet mee te nemen naar de politiebunker. Gevalletje “C”. De EOD zal spoedig in actie komen. Ondertussen laat ik trots mijn website aan de agent (hij heet Jan) zien. Oei, ik zie hem worstelen. Het is ook best wel gevaarlijk om granaatstukken (ontstekers) mee naar huis te nemen, maar ik ben er vrij zeker van dat ze ontploft zijn en daarmee onschadelijk. Hij is enigszins gerustgesteld en volgens mij ook best onder de indruk van het gevonden spul. Ondertussen valt zijn blik op de grote berg zand bij de boerderij naast het landje. “Daar kunnen we mooi ploffen“.

Op woensdagochtend 10:30u moet het gebeuren. De zon schijnt als ik samen met mijn oudste zoon richting het slagveld rij. Normaal vinden ze hun vader maar een suffe gast, maar als het op actie aankomt willen ze nog wel eens een half uurtje eerder opstaan.

Jan staat al op ons te wachten en al snel zien we ook de EOD-wagen aan komen rijden. Ze zijn met z’n tweeën. Dat het ook maar gewoon mensen zijn blijkt als één van de twee defensiedienders wat vertraagd uit de auto stapt. Als verklaring geeft hij aan dat hij nog even de wachtwoorden van de playstation van zijn zoon moest doorsturen. Ik kijk mijn puber aan en we schieten beide in de lach.

De ander neemt de leiding en bekijkt de objecten. Zijn conclusie is enigszins teleurstellend. Dat wordt geen knaller vandaag. Het blijken helemaal geen granaten te zijn, al lijken ze er wel op. Maar wat dan wel? De staalborstel gaat erover en dan komt het verlossende woord: asfaltschraper. Een woord dat je niet zo vaak hoort: asfaltschraper.

Ze worden regelmatig verward met granaatjes. Bluh. Niet leuk. Maar goed dat we De Stentor niet gebeld hebben. Ik probeer er nog het beste van te maken en vraag de twee bomexperts of ze mijn nog niet gedetermineerde paddestoelontsteker herkennen. Foto’s worden uitgewisseld met een collega en ja hoor, het is een HZ 05. Een Duitse granaatontsteker uit WO1. Toevallig had hij hem vorige week tijdens een cursus ook gezien. En fijn dat de andere bomdelen in de vitrine ook als veilig zijn gekwalificeerd. Ik wist het wel, maar soms zit je er naast. Kan gebeuren.

Bossette de mors

Wat een mooie vondst, deze bossette de mors. Het is rond 1800 gebruikt als versiering van een paardenbit. Ik vermoed dat het van Franse komaf is, aangezien in het begin van de 19e eeuw de troepen van Napoleon ons land hebben bezocht. Gevonden in de Mastenbroekerpolder in 2021.

Bitversiering

Helaas is er op Internet geen gelijke te vinden, echter kreeg ik naar aanleiding van deze publicatie een tweetal meldingen over een vergelijkbare bodemvondst. De één uit Vlaanderen uit Schriek, plaatsje nabij Mechelen. De ander uit Zeeland. De afbeelding is gelijk, maar het lijkt of de mijne er meer uitspringt. Mogelijk komt dat door het cameraperspectief.

Bossette de mors, afkomstig uit Vlaanderen.

Oorlogsrestanten

Ik ben geen expert op het gebied van de Tweede Wereldoorlog, maar dit keer werd ik onbewust toch even terug in die tijd getrokken.

Natuurlijk had ik al gelezen over de Engelse Lancaster die op 13 juni 1944 in Mastenbroek neergehaald is. Maar gezien mijn vondsten moeten zich meer drama’s in de polder hebben afgespeeld.

Ontsteker wo1

Ik bevind mij op een weiland aan de Oude Wetering, zo’n 2 kilometer van de plek waar het vliegtuig neergestort is. Tot ca 1840 heeft er een boerderij gestaan, dus hoop ik metalen uit die tijd te vinden. In een andere blog zal ik daar meer over vertellen.

De eerste WO2-vondst is een kegel. Het is een ontsteker van een granaat met een kaliber van 77mm. Geen gangbaar kaliber voor een WO2-granaat. Hij ziet er ook ouder uit, maar zoals gezegd, ik ben geen expert.

Na wat speurwerk op internet kom ik erachter dat het een ontsteker (fuze) van een Duitse granaat is uit 1916. De LKZ16. Mijn gevoel was juist. Maar hoe komt zo’n moordwapen dan ik Nederland? Wij waren toch neutraal in de 1e wereldoorlog? Ik sluit mij aan bij de Facebookgroep WO2 Speurders. Daar zitten de experts. Het blijkt dat er aan het eind van wo2 schaarste was aan ijzer. Goede reden om de overblijfselen uit het verleden alsnog in te zetten. Daaruit kunnen we opmaken dat het zomaar eens de mortier zou kunnen zijn geweest waar het Engelse vliegtuig mee neergeschoten is.

Franse ontsteker wo2

En er volgen meer ontstekers. Gelukkig niet gevaarlijk meer. Ze zijn allemaal afgeschoten en ontploft. In dit geval betreft het een Frans type. Dit kunnen we afleiden uit de vijf ringen. Het type is Mle30. Ook hier weer de vraag hoe een Franse granaat in Mastenbroek terecht is gekomen. Waarschijnlijk is hij buitgemaakt bij een slag in Frankrijk en aan het eind van WO2 alsnog ingezet door de Duitsers.

Het object dat volgt, door mij aanvankelijkde ‘benzinedop’ genoemd, is een ontstekingsvertrager. Deze is van Amerikaanse makelij, waarschijnlijk van de M48. Hiermee werden o.a. QF 25-ponders afgevuurd. Deze werden door middel van een Houwitser mobiele raketafvuurinstallatie afgevuurd. De QF staat voor Quick Firing oftewel snelschietend.

De vertrager zorgde na de inslag voor een tweede impact. Hier zie je een complete set.
En deze ontsteker hoort er misschien wel bij. Het is de kop van een Britse type 119 granaat van de artillerie.

Ontsteker granaat

Hier een inkijkje in de kop van de granaat.

Tot slot vond ik nog een 80mm ontsteker. Het is een Duitser, de HZ05.

Ontsteker granaat

Ik had sterk het vermoeden dat de Lancaster beschoten is vanaf een Duitse geschutsstelling dat op of in de buurt van de Kamperzeedijk moet hebben gestaan. Een paar honderd meter verderop in de richting van de kerk heb ik deze ontstekers gevonden. Het vliegtuig zal daar geraakt kunnen zijn en twee kilometer verderop zijn neergestort.

Een andere aannemelijke theorie komt van Arno Schuurman. Hij denkt dat de Lancaster neergeschoten is door een Duitse nachtjager, een Messenschmidt BF110 G4 van Gerhard Keitel 2./NJG 3. Nachtjagers maakten veelal gebruik van zgn schrage musik. 2 snelvuurkanonnen die onder een hoek van ca 60 tot 75 graden omhoog staken. De nachtjager ging dan onder de bommenwerper vliegen. Met alle gevolgen van dien…

Een tragisch verhaal waar door Gerrit Pelleboer al eerder over gepubliceerd is. Dat we het nooit zullen vergeten.

Kampen Textielstad

De boerderij aan de Oude Wetering in Mastenbroek is al zo’n tweehonderd jaar verdwenen, maar haar bewoners hebben een aantal leuke relikwieën nagelaten. Zo heb ik er een tweetal ‘staelloden’ gevonden. Staelloden zijn loden keurmerken van de productie van textiel of wol.

Met het eerste lood dat ik vond was ik al erg blij. Het formaat was erg groot voor een lood, zo’n 50mm doorsnede. En wat fijn dat er cijfers of letters op staan waaruit je kan afleiden waar het lood vandaan komt, uit welke periode het afkomstig is en natuurlijk ook waar het voor gediend heeft.

Als je heel goed kijkt zie je wel een aantal letters. Ik lees “TAR”. Mijn eerste gedachte was dat het een lood van een tarwezak moet zijn geweest. Aan de staat van het lood te zien zou het wel eens 17e eeuws kunnen zijn.

Via mijn Faceboek-zoekvrienden kom ik erachter dat het om een textiellood gaat. Dat kun je opmaken uit de vorm van de achterzijde en uit het formaat.

Omdat ik erg nieuwsgierig ben naar de complete tekst heb ik het lood nog wat beter schoongemaakt. Het is er niet heel veel beter op geworden, maar ik denk dat ik met een loep wel de letters “AMPEN”kan ontcijferen. Er is niet veel fantasie voor nodig om te veronderstellen dat het een lood uit CAMPEN moet zijn. Maar hoezo dan een textiellood? Leiden is toch de textielstad van Nederland?

Ik start mijn reseach en kom tot de ontdekking dat Kampen inderdaad ook een rijk textielverleden kent: “Naast laken, duffel en linnen kende Kampen in de zeventiende eeuw ook een veel bescheidener produktie van bombazijn, saaien en trijp.” Een zin uit het boek ‘Kampen Textielstad‘ van Frits David Zeiler (tegenwoordig in te zien dankzijde Digitale Bibliotheek Overijssel). Ik vermoed dat het keurlood op één van deze producten bevestigd heeft gezeten.

Uit mijn Facebooknetwerk ontvang ik vervolgens deze prachtige afbeelding van een ander lood van Campen. Mooi hoor Suus!

Een paar dagen later vind ik opnieuw een staellood. Dit keer alleen het achterste deel. Wel weer een grote, 52mm doorsnede.

Aan de bovenzijde is een kroontje zichtbaar. Hij is gedetermineerd als een Amsterdams textiellood, vergelijkbaar met eerder gevonden exemplaren uit 1607.

In het eerder genoemde boek tref ik een passage aan met de tekst: ” Trijpen “van Amsterdam” werden in het algemeen te Kampen vervaardigd.”. Er lijkt sprake te zijn van een soort licentiesysteem. Wie weet komt dit lood dus ook gewoon uit Campen. Mooi dat ze toen al de lokale economie steunden. De geschiedenis herhaalt zich, al zijn de keurmerkjes wel wat kleiner geworden.

Knaller uit Kaatsheuvel

Nederland is er weer een stukje veiliger op geworden. Door het vinden van een vondst die je als amateurdetectorist eigenlijk niet wil vinden.

We zijn in Kaatsheuvel met ons gezin. Lekker een weekje weg zo aan het eind van het toch wel bizarre jaar. Het gebied staat erom bekend dat er zwaar gevochten is in de tweede wereldoorlog. Ons huisje grenst aan de Loonse en Drunense Duinen, een gebied van Natuurmonumenten waar het verboden is voor detectoristen.

Ik ben daarom op zoek gegaan naar een alternatieve plek om naar sporen uit het verleden te speuren. Deze oude ‘snuffelaar’ zoals mijn tante Henny mij op Facebook noemde zag op Google Maps een fraai alternatief: De Moer, de tuin van De Efteling.

Ik ben dol op zandpaadjes die enerzijds grenzen aan een akker en anderzijds aan een bosperceel. Dit zijn plekken waar de boeren vroeger hun zooi dumpten. Achter op het land. Dit zijn ook de plekken waar in oorlogstijd soldaten verscholen lagen.

Mijn eerste vondst doet mijn hart meteen sneller kloppen. De contouren van een rond voorwerp worden langzaam steeds zichtbaarder.

Zou het een soldatenhelm zijn? Die zou ik dolgraag een keer willen vinden. Het blijkt een vondst uit de eerste categorie: “zooi”. Een pan. Het smaakt naar meer. Ik voel dat hier wat te halen is. Iets verderop vind ik een oude duimheng (hekscharnier) van zo’n halve meter lang. Lastig om mee te nemen. Ik besluit hem als een soort sabel aan mijn broek te hangen.

Ik vervolg het zandpad. Verderop vind ik een groot aantal blikresten. Niet van die moderne frisdrankblikjes, maar conservenblikjes. Soldaten begroeven die om geen sporen achter te laten. Voor mij niet meer dan een indicatie dat er wel eens meer zou kunnen liggen.

Weer iets verderop heb ik een leuk gesprek met een wat ouder echtpaar. De man vertelt hoe hij in zijn jeugdjaren hulzen heeft gezocht. Het lag er hier vol mee. Ze lopen verder en ik begin een mooi signaal uit te graven. Dan zie ik op zo’n 20 cm diepte wat blinken. Voorzichtig veeg ik het zand opzij. Een pracht van een granaatkop komt te voorschijn.

Wouw. Dat is gaaf! Ik doe een stap achteruit. Dit is linke soep man. Maar wat is ie mooi. Snel maak ik een foto en bedek het projectiel weer met zand. Aanstampen lijkt mij geen goed idee zo met de kerst voor de deur. Ik besluit een bericht te posten in de Facebook-bodemvondstengroep. Meteen slaan er meerdere mensen aan. “Het is een ontsteking van een granaat en het lijkt erop dat hij op scherp staat!”.Je moet de politie bellen!”.

Dan zie ik dat het energielevel van mijn telefoon veel te wensen overlaat. Ik moet eerst terug naar mijn Landal-basiskamp. Maar eerst de plek markeren. Dat is de regel als je gevaarlijk spul vindt. Ik trek mijn sabel en prik hem in de berm naast het pad. Ook maak ik er nog even snel een foto van. Mij zullen ze niet pakken op procedurefouten.

Thuis aangekomen plug ik mijn mobiel aan het infuus en bel het algemene nummer van de politie. Ik word snel teruggebeld door de explosievenspecialist van de plaatselijke politie. Nadat hij de gestuurde foto beoordeeld heeft, belt hij opnieuw. “Je hebt wat moois gevonden maar je zegt dat het op een wandelpad ligt. Ik kom je met spoed halen“.

Zo’n vijf minuten later komt de agent aangereden. Op verzoek van mijn vrouw heb ik nog wel even de receptie van het park gewaarschuwd dat er politie in aantocht is. Opdat ze geen verkeerde conclusies trekken. “Wat? Een bom op ons park?” Ik hoor een lichte paniek in de stem van de receptioniste, maar kan haar snel weer geruststellen. Die bom is een granaat en ligt hier 4 km vandaan. Niets aan de hand.

Ik stap in de witte beplakte Mercedes en wijs de weg naar mijn hotspot. Onderweg praten we over mijn boeiende hobby en over zijn spannende job. Hij vertelt me dat er in deze regio met regelmaat oorlogstuig gevonden wordt. Vooral in de weekend en vakanties als de hobby detectoristen weer naar Brabant komen. Ze zijn er blij mee.

In het bos aangekomen lopen we samen naar de vindplaats.

Heel voorzichtig maakt hij het gat open en aanschouwt hij mijn gruwelijke vondst. Gruwelijk mooi en zeldzaam gaaf van uiterlijk, maar ook gruwelijk dodelijk.

Er lopen twee jongens langs. Wat zullen zij nu denken? Een agent in uniform op zijn knieën aan het graven in een bos. Waarom vragen ze niets? Misschien uit respect. Zou mooi zijn.

Hij maakt het gat weer dicht om vervolgens de EOD te bellen. Hij vertelt dat zij werken met drie gradaties. A: zeer gevaarlijk (lees direct opruimen). B: redelijk gevaarlijk (lees binnen twee dagen opruimen) en C: ook wel gevaarlijk, maar als het er al 75 jaar ligt dan kan het ook nog wel 5 dagen langer liggen. Hier gaan we geen mensen van verlof voor terugroepen. Dan valt de verbinding weg. . Ik hoor hem mopperen. Onze agenten worden niet met de beste spullen het bos in gestuurd.

Omdat de bom zelf niet meer aanwezig lijkt te zijn wordt mijn vondst als C gekwalificeerd. Toch is hij compleet genoeg om gevaarlijk te zijn. De EOD’er verzoekt mijn agent om het projectiel weer op te graven en in de berm onder een dekentje van bladeren te verstoppen. De agent gaat weer op zijn knieën, maakt aanstalten om weer te graag graven, maar hij bedenkt zich. Ook hij wil met kerst graag thuis zijn. Ik hoopte natuurlijk op een fraaie, gecontroleerde ontploffing door de EOD, maar met dit spul doen ze het anders, minder spectaculair.

Ik sluit de dag af met een dubbel gevoel. Onder mijn Facebookvrienden is mijn vondst trending. Vooral de Brabo’s zijn blij dat hun provincie weer een stuk veiliger is geworden. Maar toch voelt het alsof mij iets gaafs is afgenomen. Zoiets moois gevonden, maar we gaan met lege handen terug naar de vitrine thuis. Ik besluit er een mooie blog over te schrijven. Alstublieft!

Record model 3

Deze blog gaat over mijn vondst van een Record model 3. Een vondst in de Mastenbroekerpolder.

Het was al een beetje schemerig op de betreffende 7 oktober. Eerder die week had ik op het land al een knoepert van een musketkogel gevonden en de boer vroeg zich af of zijn land misschien ooit het strijdtoneel van een slagveld was geweest. En op Whatsapp grapte hij dat hij ook graag het bijbehorende geweer zou willen zien. Of ik daarvoor kon zorgen. Zijn vraag leidde bij mij tot een bijna niet te weerstane drang om terug te gaan naar het ondergronds munitiedepot.

Het was een natte week geweest en het land stond deels onder water. Een normaal mens zou het niet in zijn hoofd halen om onder deze omstandigheden het veld op te gaan. Maar je bent een piepwappie of niet.

De kans om een geweer te vinden is natuurlijk nagenoeg nul procent. Of misschien één. Achter op het land stond immers ook een jachthut. Iemand voert daar de eenden om ze vervolgens te trakteren op een schot hagel. Mijn metaaldetector is zo scherp dat zelfs die kleinste hagelkogels gedetecteerd worden. Gelukkig is het een goede schutter die weinig sporen achterlaat. Dat scheelt mij vele uren putjesgraven.

Goed, je kunt je vast voorstellen hoe ik daar in het strijklicht in de plassen aan het rondmarcheren was. Het kleine beetje schaamte voor het piepwappie-zijn verdween als sneeuw voor de maan toen ik een stuk metaal naar boven haalde wat wel erg veel weg had van een…. wapen. De loop om precies te zijn. Zo eentje uit cowboyfilms. En even verderop kwam ook de trekker naar boven en tot slot nog een derde deel.

Ik sprong een gat in de lucht van geluk. Snel keek ik om mij heen of niemand mij gezien had. De piepschaamte kwam heel even terug, maar was van korte duur. Ik kan moeilijk beschrijven hoe het voelt om een wapen te vinden. Hoe spannend is dat. In een polder. Hoe dan?

Ik leg de delen bij elkaar in het gras en fantaseer. Diverse mogelijkheden schieten door mijn hoofd. Het zou oorlogstuig kunnen zijn. Of toch van een jager? Of misschien is hier in het weiland iemand geliquideerd? Bevind ik me op een plaatsdelict en moet ik de politie bellen?

Een vierde verhaallijn wordt ineens realistisch als ik iets verderop ook nog een zilveren ketting vind. Pistool, zilveren ketting…Overval…Betrapt…Paniek…In de sloot ermee…

Zilveren schakelketting

Het zou kunnen. Langs het weiland loopt de Hasseltse Wetering. En deze is nog niet zo lang geleden uitgebaggerd. Het slip is over de aangrenzende landen verspreid.

Ik besluit het inlichten van de politie nog even uit te stellen. Er is immers nauwelijks nog iets over van wat ooit een moordwapen kan zijn geweest. Eerst maar eens een sluitende determinatie zien te krijgen.

Wat zou het voor pistool zijn?

Ik heb een aantal aanknopingspunten: 1. de loop van het pistool is zeer typisch. Er zijn maar heel weinig wapens met een dergelijk vizier. 2. Het kaliber is 4.5. Het staat zelfs in het wapen gegraveerd.

Mijn vaste hulplijn (mijn broer) komt al snel met het bericht dat het om een luchtdrukpistool gaat. Daarmee wordt het al een stuk gemakkelijker. Nu op zoek naar dergelijke pistolen met die typische loop.

Luchtdrukpistool

Het is een Record Model 3 luchtdrukpistool. Het type is gewoon op internet te bestellen voor 75 euro. Een beetje teleurgesteld ben ik wel. Geen oorlogsverleden dus, maar een dump uit de jaren ’90. Grote kans dat het wel gebruikt is bij een inbraak, maar welke zullen we waarschijnlijk nooit te weten komen.

Ik neem contact op met een kennis die bij de politie werkt en verstand heeft van wapens. Hij komt dat weekend al meteen langs. “Daar valt niet veel meer aan te rechercheren”, is zijn conclusie. “En als het al een zaak zou zijn dan is ie wel verjaard. Het goede nieuws is dat het van een wapen is dat je vergunningsvrij thuis mag houden.

Ik heb hem een ere plek in mijn vitrine gegeven. Bij de rest van mijn wapenarsenaal. Bij de musketkogels. Bij de kogelhulzen. Bij de slaghoeden. Maar er blijft altijd een plaatsje vrij voor het musketpistool dat ik ooit nog ga vinden. Je bent een piepwappie of je bent het niet.

Nawoord 16-1-2021. Heb een app ontvangen van de boer. Hij heeft een opengebroken kluis op de dam bij het weiland aangetroffen. Inmiddels door de politie opgehaald.
Waarschijnlijk opgevist door magneetvissers. Zou er een verband zijn met het luchtdrukpistool en de zilveren ketting?