Bepaalde dingen zijn uit de tijd. Zo hadden wij vroeger van die dikke postcodeboeken, telefooncellen en praatpalen. Onbekend bij de jeugd van tegenwoordig. Maar er zijn ook voorwerpen van vroeger waar ik het bestaan niet van wist. Een luns is zo’n ding. Hoe hij eruit ziet? Nou zo:
Het heeft de vorm van een lepel en is gemaakt van ijzer. Gesmeed van ijzer moet ik zeggen. Ik heb er drie gevonden, vrijwel in 1 gat. In de buurt van Hasselt in de Mastenbroekerpolder. Ze zijn alle drie verschillend van afmeting en gewicht. Dat duidt op hand made. Gezien de bijvondsten (zoals een kanonskogel) gaan mijn gedachten naar de 16-18e eeuw. Daarna werd het meer industrieel allemaal. Maar goed. Wat is het dan? Als ik ze wat ontroest en goed bekijk dan zie ik bij eentje dat er aan het eind van de steel een gaatje heeft gezeten. Nu dichtgeroest. Bij de andere twee zie ik het niet. Ik besluit mijn detectorvrienden om raad te vragen. Al snel komt iemand met de term ‘luns’. Een soort borgpen voor het fixeren van een wagenwiel aan een as.
Dat zou goed kunnen. Door dat gat moest dan zeker een soort splitpen. De borg van de borg. Ik speur op internet naar plaatjes van oude koetsen, maar ik vind geen gelijke. Totdat ik mijn zoekterm verander in ‘onderstel van een kanon’. Ook hiervoor bestaat een oud woord ‘affuit’. En ja hoor. Hier zit een luns aan, aan beide kanten eentje.
Oeh, da’s interessant en past ook in het verhaal van mijn gevonden kanonskogel van 60mm. Ik zoek nog even verder en vind meer afbeeldingen van kanonnewagens .
Hier zie je de luns zoals ik ze gevonden heb.
Dan rest nog de vraag hoe drie lunsen in de bodem van Mastenbroek terecht zijn gekomen. Zijn ze echt van een affuit? Of toch van een ‘gewone’ koets? Zou natuurlijk kunnen, maar ik hou het op een kanonnewagen. Aan deze kant van Hasselt hebben in de 16e eeuw wel een paar legertjes gelegen. Hoe dat eruit moet hebben gezien heb ik aan AI gevraagd.
Ik ben superblij met deze vondst. Of eigenlijk moet ik zeggen: vondsten. Ik heb er twee op dezelfde kavel in Mastenbroek gevonden. Ze zijn niet exact even groot, maar wel exact even zwaar, namelijk 234 gram. Of eigenlijk wegen ze 233,85 gram. Da’s toevallig, maar ook weer niet. Het blijken muntgewichten te zijn uit de tijd dat er nog geen decimaal geldstelsel bestond. Een referentie. Zo gingen er 66 gouden florijnen in een Keulse Mark.
We praten over de periode 1524 tot ongeveer 1700. In het oostelijke en noordelijke deel van ons land was de Keulse Mark toen de meeteenheid. In de rest van het land hadden ze het trooise gewicht. Die was iets zwaarder.
Eind 2025 vond ik een bijzondere bel. Ik had zo eentje nog niet eerder gezien. Het is een bronzen poortbel met een fraaie 8 kantige facetvorm. Alleen ontbreekt de klepel. Da’s logisch, want die zijn van ijzer en roesten doorgaans wel weg in de ca 500 jaar dat hij in de grond ligt. Hij is 8 x 7,5cm en 9cm hoog. Een bijzonder maatje.
Na de vondst start de schoonmaak en determinatie. Schoonmaken van dergelijke bronzen vondsten is eigenlijk verboden. Tenminste als je het met schoonmaakmiddelen wilt doen. De kans is groot dat je dan de mooie patina, de fraaie groene aanslag, beschadigt. Gewoon een beetje afgespoeld, da’s voldoende. Hij is echt zwaar voor een bel. Ik meet 448 gram. Ik denk dat hij te zwaar is voor een koebel. Je zult maar met een halve kilo om je kop rond moeten lopen. Ook nog door het veen. Ook is de ophangconstructie niet bedoeld om een leren riem aan vast te maken. Geen koebel dus. Maar wat dan? Nou ik vermoed een poortbel. Omdat hij dikwandig is (5mm) en een lage toon geeft als je hem een kling geeft.
Hij is in zijn geheel gegoten. En versieringen ontbreken. Dat duidt erop dat hij gebruikt is tussen 1400 en 1700. Dat denk ik tenminste.
Ik denk dat hij aan de poort van de hoeve gehangen heeft. In die tijd waren er natuurlijk geen elektrische deurbellen. Het kan ook gebruikt zijn om destijds aan te geven wanneer de stalknechten op de hoeve pauze mochten houden en ook wanneer ze weer aan het werk moeten gaan. Net als op school. Het schijnt dat er meer van deze bellen bestaan, maar op internet kan ik ze nog niet vinden.
Eind 19e begin 20e eeuw werden loodjes gebruikt als verzegeling voor van alles en nogwat. Zo werd een loodje aangebracht als bewijs van accijnsbetaling, als verzegeling van een zak voer of zelfs als verzegeling van een treinwagon. Loodjes zijn altijd leuk om te vinden, met name omdat er vaak letters op staan die aangeven om wat voor lood het gaat.
Op het landje bij Hasselt waar ik al een tijdje aan het zoeken ben vond ik deze week ook weer een leuk loodje. Daar moeten we meer van weten.
Aan de voorzijde van het loodje zie ik drie letters staan. NTF. Dat zal vast een afkorting zijn, maar deze ken ik nog niet.
Aan de achterzijde staat een cirkel met daaromheen diverse letters. Ik zie een ‘K’, ‘CO’en ‘TR’. Let LINGO begin. Ik heb een hulplijn nodig. Google is mijn vriend. Ik kom uit bij een blog van collega metaalzoeker Marc. Hij heeft eenzelfde loodje gevonden. Het blijkt te gaan om een loodje van de Nederlandsche Thermo Chemie Fabrieken. Nooit van gehoord, dus we zoeken verder om meer over dit bedrijf en het loodje te weten te komen.
De achterzijde blijkt een stempel te zijn van de Rijkscontroledienst.
Het woord Rijkscontrole in combinatie met NTF op het loodje wijst volgens ChatGPT vrijwel zeker op een officiële verzegeling of controle van een product of vracht. Hier is wat dit zou kunnen betekenen:
1. Controle door de overheid:
• Het loodje kan zijn gebruikt door de overheid (Rijkscontrole) om aan te geven dat de inhoud van een vracht, zak of container gecontroleerd en goedgekeurd was.
• Dit kwam veel voor bij chemische of industriële producten die onder toezicht vielen, zoals meststoffen, chemicaliën of brandstoffen.
2. Verzegeling door NTF (Nederlandse Thermochemische Fabrieken):
• De combinatie NTF en Rijkscontrole suggereert dat dit loodje gebruikt werd om zakken of containers met producten van NTF te verzegelen.
• De aanwezigheid van Rijkscontrole wijst erop dat het een gecontroleerd product was, bijvoorbeeld om te garanderen dat het aan wettelijke normen voldeed, zoals zuiverheid of samenstelling.
Historische waarde:
Dergelijke loodjes zijn typisch voor de periode van de late 19e eeuw tot de 20e eeuw, toen loodverzegelingen standaard waren voor transport en kwaliteitscontrole. Ze zijn nu zeldzame artefacten die inzicht geven in de handels- en industriële geschiedenis.
Even verder zoeken op internet levert een sluitende determinatie op. Het komt eigenlijk nooit voor dat er in documenten direct verwezen wordt naar loodjes. Wat een gelukje dat het hier wel het geval is. Het gaat dus om een keurmerk voor diervoeding. Blijkbaar werd er vroeger aardig gerommeld met diermeel.
Om erachter te komen in welke tijd dit precies speelde moeten we nog iets verder speuren.
Op 18 februari 1925 richtte José Vigevéno samen met Charles Mozes Nijveen de N.V. Nederlandsche Thermochemische Fabrieken (N.T.F.).
Op de locatie waar in de jaren 1925/1926 de fabriek in Sumar werd gebouwd was vanaf 1912 vleesfabriek ‘De Phenix’ gevestigd. Eigenaar hiervan was de in Leeuwarden wonende Charles Mozes Nijveen, net als Vigevéno van Joodse afkomst. Nijveen bezat in Leeuwarden ook nog een paardenslachterij. De fabriek werd op 15 april 1926 geopend.
Sumar moest de eerste worden in een rij van destructiebedrijven in een landelijke opzet. Door de crisis van de 30er jaren van de vorige eeuw zijn deze ambitieuze plannen echter nooit verwezenlijkt.
In de Tweede Wereldoorlog namen Duitse bewindvoerders het destructiebedrijf over en lieten het in 1945 in een onttakelde toestand achter. In 1996 veranderde de naam van het bedrijf in Rendac. In 2003 opnieuw een naamsverandering. Sindsdien prijkt de bedrijfsnaam Sonac op de gevel.
Soms vind je iets dat redelijk snel te duiden is. In dit geval werd ik geholpen door een duidelijke tekening met een paar letters ‘De Wa’. Een en een is twee. Dat moet een De Waag zijn. Maar welke?
Na een beetje googlen krijg ik bevestiging. Ik zie de gelijkenis tussen de afbeelding op mijn vondst en die op een oude ansichtkaart van De Waag uit Amsterdam. Vooral de poort, de drie raampjes erboven en de dakkapel zijn aardig gelijkend. Maar ook de toren en de strepen van de 15e eeuwse stenen zijn karakteristiek.
De waag staat midden op de Nieuwmarkt in Amsterdam. Het is een kasteelachtig gebouw met grappige torentjes. Nu is er een café gevestigd, maar het gebouw heeft in haar eeuwenlange bestaan ook enkele andere functies gekend waaronder die van waag. Dat begon in de 17e eeuw.
In het gebouw konden handelaren hun goederen wegen voordat zij die verhandelden en er werd belasting geïnd. Daarnaast vestigden allerlei gilden zich in de Waag, die elk hun eigen ingang kregen. Zo kreeg het gebouw een zeer belangrijke handelsfunctie in de hoogtijdagen van de Amsterdamse Gouden Eeuw. Bron: Ons Amsterdam, ‘Hoe oud is de Waag eigenlijk?’, januari 2015.
Maar wat is nu eigenlijk het stukje metaal dat ik in Mastenbroek nabij Hasselt gevonden heb? Ik moet denken aan de Amsterdamse huisjes, maar die zijn van keramiek. Dit object lijkt mij van zink. Je kijkt er een beetje blauwig op. Het kan ook van een maquette zijn of wellicht een souveniertje of een spaarpot. Tja, daarvoor heb ik wel wat meer aanwijzingen nodig. Alleen googelen op De Waag of Amsterdamse huisjes of souvenirs levert niets op.
Ik pak het object er nog eens bij en zie aan de achterzijde een aanwijzing. De letters DEP wijzen mogelijk op de producent. Wordt vervolgd.
Ik heb op 7 mei 2024 nabij Hasselt een Victoriaanse, 19e eeuwse broche gevonden van 43mm x 34mm x 8mm. Een oogvondst en nog bijna puntgaaf, behalve dan dat het zilverwerk ontbreekt.
Camee van schelp, eind 19e eeuw
Wat ik denk te zien is een marmerachtig ovalen broche met een afbeelding van een rijke, sexy vrouw met een parelketting en een muts gedecoreerd met bloemen en veren of bladeren. Ze draagt een sjieke jurk.
Hoe zouden ze destijds zoiets gemaakt hebben? En wie zou het zijn? Of is het wellicht een onbekend model? En is het massaproductie of toch handwerk? Veel vragen. We gaan het onderzoeken.
Techniek: camee
Camee is een grafeer techniek in edelstenen of schelpen. Door de verschillende tinten van de grondstof in lagen of in de ‘hoogte’ valt het afgebeelde motief meestal een stuk meer op. Meestal wordt camee (of cameo) uit schelpen gemaakt. Camee sieraden zijn vaak antieke sieraden, al worden ze in Italië nog steeds gemaakt. Ook zijn er camee sieraden gemaakt van koraal, lava en edelstenen.
Screenshot uit promo video
Deze foto toont een kunstenaar van Diluca Camee. Dit bedrijf uit Napoli snijdt de cameeën nog steeds met de hand uit schelpen. Grote schelpen. Heel kunstig, met zoveel detail. Knap werk.
In dit object zijn een soort roestkleurige vlekken zichtbaar typerend voor schelpen. Ik vermoed derhalve dat mijn vondst dan ook uit een (Italiaanse) schelp vervaardigd is.
Taxateurs van sieraden kijken voor een tijdsbepaling onder andere naar de vorm van de neus van het model. Portretcameo’s die zijn geschilderd of gesneden met een rechte neus zijn meestal uit het Victoriaanse tijdperk; en sterke Romeinse neuzen zijn van vóór 1860. Als de neus parmantig en schattig is, is het over het algemeen 21e eeuws. (Bron: Jonathan’s Fine Jewelers).
Mijn dame heeft een rechte neus, dus lijkt het een object te zijn uit het Victoriaans tijdperk.
Vicoriaans tijdperk
Dit tijdperk van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland was het tijdperk van het bewind van koningin Victoria, dat duurde van 1837 tot 1901. De periode wordt gezien als een tijd van voorspoed in Groot-Brittannië. Tijdens deze periode ontstond er in dat land een welopgevoede middenklasse. Dit was te danken aan het profijt van de overzeese gebieden van het Britse Rijk, alsook de industriële ontwikkelingen binnen Groot-Brittannië. (Bron: Wikipedia)
Bonnet
De muts die de dame draagt is typerend voor een bepaalde tijd. In de 19e eeuw droeg iedereen hoofddeksels; ze hoorden gewoon bij je dagelijkse outfit. Voor vrouwen in de jaren 1850 en 1860 betekende dit geen (mannelijke) hoed, maar een bonnet op het hoofd. Hierin zijn kleine, maar interessante verschuivingen te zien in het midden van de 19e eeuw.
In de loop van de jaren werden de bonnets steeds minder functioneel (lees: bescherming tegen de zon met bewust slecht zicht op het mannelijk geslacht) en steeds meer decoratief en opener en dus vrouwelijker.
Rond 1864 dragen de dames eerder stoffen kapjes met kanten afwerking, die nu wel heel ver op het achterhoofd zijn geplaatst. De zijden strikken die de bonnet op het hoofd moeten houden, zijn uitbundig aanwezig. Maar als serieuze hoofdbescherming tegen regen (of nieuwsgierige mannenogen) is de bonnet niet meer geschikt. En daarmee is de bonnet vooral een decoratief mode-item geworden, en niet meer de bewaarster van goede zeden.
Bijzonder kenmerkend voor de kappen uit het begin van de jaren tachtig van de negentiende eeuw was de rand van de kap met kralen. De snaren van de kappen waren op dat moment breed. Linten, veren en bloemen werden allemaal als garnituur gebruikt. In 1888 werd gezegd dat “niets in bloemen a la mode is, tenzij het eruit ziet alsof ze zojuist in de tuin zijn verzameld en losjes zijn vastgebonden”, en dat “modieuze hoeden allemaal op wandelende tuinen lijken” (Woman’s World, 1888). Bron: My inner Victorian
Sterren en bloemen werden gebruikt om te symboliseren dat men naar de toekomst kijkt. Op basis van deze informatie kan mijn camee gedateerd worden op eind 19e eeuw.
Waarde
Zeldzame cameo’s kunnen veel geld waard zijn. Vrouwen worden het vaakst gebruikt als onderwerp in een cameo, maar een man is meer waard. Vrouwen met veel haar of een bijzonder excentrieke hoed, kinderen, historische of mythische figuren worden zeer gewaardeerd door verzamelaars.
Mijn cameo is helaas niet compleet. Het zilverwerk is verdwenen, maar deze versie is wel met een vrouw met een zeer excentrieke bonnet, dus wie weet heb ik wel goud in handen.
Wie de vrouw is komen we nooit te weten, want waarschijnlijk heeft de kunstenaar de vormgeving zelf bedacht. Dat het Victoriaans is geloof ik wel. Op de vindplaats heb ik geen 20e eeuwse vondsten aangetroffen, wel oudere. En de afbeelding is eind 19e eeuws. Dit is een sluitende determinatie. Lekker hoor.
De wolf is terug in Nederland. Dagelijks wordt hij gezien. Op de Veluwe, in Drenthe en op steeds meer plaatsen in Nederland. Dat is goed nieuws voor de natuur, maar veel boeren zien de wolf liever weer verdwijnen. Het diertje is geliefd, maar ook gehaat. Die haat is cultureel bepaald. Denk maar aan het sprookje van Roodkapje. “Pas maar op voor de boze wolf”, zongen wij vroeger al in koor. Als kind werd je bang gemaakt met de gedachte dat de wolf mensen opeet. Gelukkig heeft meneer Grimm het sprookje goed laten aflopen en werden zowel oma als Roodkapje uit de buik van de wolf bevrijd.
De foto bij deze blog is van een oogvondst uit Mastenbroek van afgelopen maand. Het is een afbeelding van, jawel, Roodkapje en de wolf. Normaal ben ik meer gefocust op metalen, maar dit stukje plastic intrigeerde mij ook. Ik dacht aan een onderdeel van een oud spel of zo iets. Ach, het hoort in ieder geval niet thuis op een akker en rommel rapen zit al redelijk in mijn natuur.
Het blijkt een broche te zijn. Ook leuk. Helaas ontbreekt het metalen speldje op de achterkant. Daarom ligt het waarschijnlijk ook op het land, want deze akker werd vroeger gebruikt als stortplaats van straatvuil uit Hasselt.
Winterhulp speldje 1940
Na wat speurwerk op internet blijkt er een groter verhaal schuil te gaan achter dit ogenschijnlijk eenvoudig stukje plastic. Het gaat terug naar de oorlogsjaren of nog specifieker, naar 27 en 28 december 1940.
In die tijd, Nederland was bezet, hadden de Duitsers bedacht dat het fijn zou zijn als de allerarmste Nederlanders wat extra’s zouden krijgen. De bezetter heeft in de herfst van 1940 de Stichting Winterhulp Nederland opgericht. In de steden werden grote collectes georganiseerd en met posters en presentjes werden mensen gestimuleerd om geld te doneren.
Door meerdere keren te doneren kon men series sparen, bijvoorbeeld een serie speldjes van sprookjes, waaronder dus Roodkapje. Maar ook Doornroosje en Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen konden gespaard worden. Zeven in totaal.
De Winterhulp was echter niet geliefd onder de Nederlandse bevolking. Het Duitse imago van de organisatie (het waren voornamelijk N.S.B.’ers die collecteerden) riep veel ergernis op en mensen waren ervan overtuigd dat het geld dat werd gedoneerd naar Duitsland zou verdwijnen. Bovendien had de bezetter alle andere goede doelen verboden.
Posters die de Winterhulp moesten promoten werden beklad met de leus “Geen knoop van mijn gulp voor de Winterhulp“.
Zo zie je maar weer dat een ogenschijnlijk simpele plastic vondst ons toch weer wat leert over het verleden. En deze ‘jager’ gaat nog wel eens op zoek naar een echte wolf. Lijkt mij episch om hem op de foto te kunnen krijgen. Ik ben niet bang. Denk ik…
Als werknemer in de papier sector is mijn fascinatie voor papiermolens groot. Daarom ben ik onlangs uit werk wezen zoeken in de bossen bij Eerbeek en wel bij het Kerstens molentje. De molen is in 1717 gebouwd en werd aangedreven door het water uit de Gravinnebeek. In 1933 is de molen gesloopt omdat de papierfabrieken zodanig gemoderniseerd waren dat de papiermolen niet meer nodig was.
Ansichtkaart uit 1921
In het uurtje dat ik er gezocht heb, heb ik toch een aantal leuke vondsten opgegraven.
Duit Overijssel 1753; helaas is de munt niet meer zo fraai, maar het is er wel degelijk eentje uit de begintijd van de molen.
2. Beitel; lastig om er een jaartal aan te koppelen. Als je goed kijkt zie je dat er een merkteken ingestanst is. Ik heb de beitel dicht in de buurt van de waterval gevonden. Wie weet is hij gebruikt bij het maken ervan.
3. Het derde object heb ik nog in onderzoek. Het heeft de vorm van de punt van een ijzeren zwaard. Onlangs heb ik een schedepuntbeschermer uit de 11e eeuw gevonden. Deze zou er zo inpassen.
Update: ik heb het object laten zien aan een archeoloog van PAN. Helaas is het geen fragment van een zwaard, maar waarschijnlijk een deel van een scharnier van een oude deur o.i.d.
4. Wilhelmina cent 1948.
5. Object 5 is een nog onbekend stukje ijzer. Opvallend is de scherpe punt aan de bovenzijde.
6. Pijpewroeter; of eigenlijk een deel ervan. Datering 18e eeuw, maar kan natuurlijk ook een bolspijker of muurhaakje zijn geweest.
Binnenkort zal ik wat uitgebreider berichten over de geschiedenis van deze molen.
Dit verhaal begint op de veerboot van Terschelling naar Harlingen. Na een prachtig weekend op het Waddeneiland voeren we terug naar huis. De piepstok was niet mee en ik had hem ook niet gemist. Toch begon het op de boot al weer te kriebelen. Het kwam door een mailtje van een mij onbekende man uit Elburg. Via mijn website vroeg hij mij om hulp voor een vriend zonder internet. Er zou een bodemonderzoek bij een oude boerderij nodig zijn. Nou, over zulke verzoeken hoef ik niet lang na te denken. Bij thuiskomst bel ik meteen het nummer uit de mail. Ik krijg Cor aan de lijn. Een 80-jarige man uit Elburg. Hij was op zoek naar iemand die een gasleiding zou kunnen opsporen. Er was een grote boom omgewaaid en ergens in de buurt zou een gasleiding moeten liggen. Nou, ik wil wel een poging wagen. Niet voor geld hoor, nee, in ruil zou ik graag een rondje met de metaaldetector willen lopen. Deal!
Omdat het die week zeer slecht weer was, spraken we een week later af op een mooie lenteavond. Cor was al 50 jaar de beheerder van de boerderij, want de eigenaren wonen er alleen zo af en toe in de weekenden.
Ik hoefde niet lang te zoeken naar het afgesproken adres. De wortels van de omgewaarde boom staken fier omhoog, ik denk wel een meter of twee. Zo zonde.
De avond ervoor was ik even langs pa gereden om een ‘wichelroede’ op te halen. Mijn vader leerde ons als kleine jongens al hoe je leidingen kunt opsporen. Hij gebruikte daar twee laselectroden voor. Wanneer je de electroden in je hand houdt en langzaam naar voren loopt, bewegen ze vanzelf naar elkaar toe als je een leiding passeert. Iets met natuurkunde, maar vraag me niet hoe het precies werkt. Het leek mij wel handig om ze mee te nemen, aangezien gasleidingen soms ook van kunstof zijn. En dan vind je hem niet met de metaaldetector.
Niet lang na aankomst bij de boerderij kwam ook Cor aanrijden. Na een korte kennismaking kon het onderzoek beginnen. Met de detector vonden we meerdere potentiële leidingen. De eerste was niet de gasleiding, maar de ijzeren leiding tussen stookhok en olietank. Cor kon het zich nog goed herinneren dat de olietank werd geplaatst. Ook vertelde hij vol trots dat hij in de schuur een mooi bootje had gemaakt. En op mijn vraag of er nog olie in de tank zou zitten (we zitten immers in een energiecrisis), was het antwoord een duidelijk ’nee’. Met de komst van het gas had hij wel raad geweten met de stookolie. Een keer raden..
De gasleiding hebben we uiteindelijk niet kunnen vinden. Het moet toch een kunststof leiding zijn geweest. Na een aantal gaten van ca 70 cm diep te hebben gegraven en vele scherven verder hebben we het maar opgegeven, al hadden de wichelroede en ik beide een sterk vermoeden waar hij moest liggen. Cor was ervan overtuigd dat hij diep genoeg lag om niet door de loonwerker kapotgetrokken te worden.
Voordat we beiden huiswaarts keerden stelde Cor nog voor om een rondleiding te geven door de oude boerderij. En natuurlijk kon ik daar geen nee tegen zeggen. Nu begrijp ik waarom de oude man zo trots was, want het interieur bleek nog nagenoeg origineel te zijn. Ik waande mij even in 1863. Wauw. Het leek wel een museum. Vrijwel alles was nog in originele staat. Zoveel handgeschilderde tegeltjes heb ik nog nooit eerder gezien. Wat bijzonder. En teveel om alles goed te kunnen bekijken. Cor baalde van het ene tegeltje op de schouw dat de ’restaurateur’ er op de kop op had geplakt, maar tussen de vele tegels viel het haast niet op.
Mijn ogen werden opeens getrokken richting het schouwspel rondom de schouw. Op de tegeltjes staan torens van de stad Elburg. Bijzonder fraai is de kleurstelling. Het geel en blauw van de provincie Gelderland.
Ik moest even denken aan de verkoper van mijn eerste detector die in Elburg een heus kasteel heeft ontdekt. Zou dit hem zijn?
Cor vertelde lachend dat hij vaker rondleidingen had gegeven, o.a. aan de opgekomen politie nadat het alarm ’s nachts was afgegaan. Ik zie het zo voor mij. Nu we er toch zijn…
Twee weken later ben ik terug op de boerderij om het perceel af te speuren naar metalen uit het verleden. Bij het huis aangekomen zag ik dat de boomwortels al vakkundig waren verwijderd. Cor had zijn klusje geklaard. En de boerderij stond er nog. Het zal je maar gebeuren.
Ik pakte de detector en startte mijn speurtocht. In een uur tijd vind ik er onder andere diverse muntjes, waaronder een 1/2 cent uit 1885 en een vierkante stuiver uit 1929.
1/2 cent 18855 cent 1929Loden malletjeKoperen hengselbeugel van koperen emmer
Achter het huis ligt een weiland dat ik later die week heb bezocht.
Bij aankomst was het hek dicht en was er niemand aanwezig. Ik app de vrouw van Cor, hij heeft immers geen mobiel, dat ik er ben. ’Veel succes!’ is het antwoord.
Het voelde wel raar om bij vreemde mensen in te breken in hun weiland. Wat zouden de buren wel niet denken? Maar goed, ik had toestemming, dus we gaan ervoor. Boven mijn hoofd klapperde een ooievaar onrustig met haar snavel. Ze houdt me scherp in de gaten. In het weiland zelf keken nog een paar oogjes mij schaapachtig aan.
Ik vond weer een aantal leuke objecten, waaronder een loden malletje. Ik weet nog niet wat er vroeger in gegoten is. Het heeft de vorm van zo’n kleipijp. Wie weet. De voor Elburg meest typerende vondst vind ik de stalen hijshaak. Toen ik het vond was het een grote brok roest, maar na een aantal dagen in een badje water geweekt te hebben kwam er toch een fraai design naar voren. Ik vermoed een deel van een oude zeeboei. Elburg was tenslotte een oude Zuiderzeehaven. Op internet vind ik iets vergelijkbaars uit Enkhuizen. Mooi spul. Zo begon het project op zee en sluit ik het ook af met een maritiem tintje.
En Cor? Ik hoop dat hij nog lang van de fraaie boerderij kan blijven genieten. Bedankt voor de gastvrijheid en voor de prachtige verhalen!