Fosforrubberbrandbom

Het is zondag 2 februari 2025. Het is koud buiten, maar zo af en toe breekt ook de zon door. Mijn gestel zegt dat ik naar buiten moet. Druk op werk, vrouw ziek. Ik besluit om nog 1x naar Hasselt te gaan. Ben er al een jaar aan het zoeken en heb daar ook al veel moois gevonden, maar heb nog een paar banen niet gescand. Zoekt ook lastig met die diepe sporen die inmiddels vol water (met een dun laagje ijs) zijn gelopen. Maar goed. Ik ga toch. Met thermo kleding en gevoerde laarzen en nieuwe veel te dure waterdichte handschoenen.

Ik kwam veel oud ijzer tegen. Het leukste was een oud zakmesje. Totdat ik een hard signaal binnen kreeg. Het was iets groots en lag niet diep. Ik zag een ronde buis. Altijd even opletten of het niet iets gevaarlijks is. Aan de kop van de buis zit een raar uitstulpsel.

Heb het nooit eerder gezien. Ik graaf heel voorzichtig verder, want ik moet weten hoe lang het object is. Mijn bril beslaat…Het maakt het er allemaal niet veiliger op. Maar toch moet ik weten hoe het zit aan het einde van de pijp. Mijn hartslag stijgt. Het einde is rond..

Een bom! Hmm. Dan is dat uitstulpsel zeker de ontsteker? Maar ik heb nog nooit een bom met een ronde achterkant gezien. Of is het toch de voorkant? Ik schat in dat het geen deel is van een landbouwmachine.

Mijn intuïtie zegt STOP! Het is een granaat of bom. Het moet wel. Ik stuur een appje naar de boer waar het land van is. Ik krijg direct een coole reactie terug. “Zo, dat is nog eens wat anders”. Hij is gewend aan foto’s van muntjes en loden kanonskogels, maar dit… Ik besluit hem te bellen. “Rick, ik denk dat ik een bom gevonden heb. Ik zorg dat hij verwijderd wordt. Kom maar even niet op het land.” “Ok, ik hoor het wel”.
Op mijn appje aan thuis krijg ik de reactie, “Oeps, laten liggen en maken dat je wegkomt!”. Pure liefde.

Ik heb nog even de gedachte om het mogelijke explosief wat schoner te maken, ik zie immers nog geen koperband, het kenmerk van een granaat, maar besluit dat toch maar niet te doen. Wel maak ik wat foto’s, conform protocol.

Het protocol schrijft ook voor dat je de plek moet markeren. Hoe dan? Ik besluit mijn schepje achter te laten als een soort baken.

Thuis aangekomen bel ik direct de niet-spoed-lijn van de politie. “Ik denk dat ik een vliegtuigbom heb gevonden”. “Oh, heeft u hem mee naar huis genomen?”. “Nee, natuurlijk niet. Dat mocht niet van mijn vrouw grap ik nog.” Ik word doorverbonden met de dienstdoende explosievendiender. We stemmen af dat hij de volgende ochtend komt kijken, aangezien er geen accuut gevaar is. Ik vraag nog of hij mijn schep bij het hek wil zetten.

De volgende dag word ik gebeld. Het is inderdaad een explosief. Een Britse fosforrubberbrandbom. De EOD heeft hem in Staphorst laten ploffen. Complimenten voor het melden van deze gevaarlijke vondst! Bedankt.

Wow, ik heb mijn eerste bom gevonden. En hij stond nog op scherp ook. De agent hoorde een sissend geluid toen hij hem net als ik wilde schoonmaken. Oei. Nu verder onderzoeken wat het precies is en waar hij vandaan komt. Maar uit werk eerst even mijn schep ophalen. En ja hoor. Daar staat ie. De politie is mijn vriend!

Fosforrubberbrandbom, wat is dat eigenlijk voor een bom? Heb ik wellicht fout gehandeld? Ik ga te rade bij mijn vriend ChatGPT.

Fosforrubberbrandbommen waren zeer destructieve wapens, ontworpen om extreme branden te veroorzaken die moeilijk te bestrijden waren. Hun werking is gebaseerd op de zelfontbranding van witte fosfor en de verspreiding van brandbare stoffen die kleven aan oppervlakken en langdurige verbranding veroorzaken. Vanwege de gruwelijke effecten op mens en milieu worden dergelijke wapens tegenwoordig als controversieel en in veel gevallen als illegaal beschouwd onder internationale verdragen.

1. Samenstelling

Witte fosfor (WP): Dit is een zeer brandbare chemische stof die spontaan ontbrandt bij contact met zuurstof (rond 30°C). Het brandt met een extreem hete, felwitte vlam en blijft doorgaan totdat de fosfor is opgebruikt of wordt afgesloten van zuurstof.

Rubber of een vergelijkbare brandbare gel: Dit werd toegevoegd om de brandende fosfor beter te laten kleven aan oppervlakken, vergelijkbaar met napalm. Dit maakte het moeilijk om branden te blussen en zorgde ervoor dat de bom effectief bleef op gebouwen, voertuigen en zelfs mensen.

Andere brandversterkende chemicaliën: Soms werden aanvullende chemicaliën toegevoegd om de ontbranding te intensiveren en rook te genereren, wat het blussen nog moeilijker maakte.

2. Ontsteking en verspreiding

Bij inslag of activering barst de bom open, waardoor de witte fosfor in contact komt met zuurstof en direct begint te branden.

De hitte van de ontbranding zorgt ervoor dat de rubberachtige substantie smelt en zich verspreidt, waardoor brandbare oppervlakken (zoals hout, kleding en huid) vlam vatten.

Witte fosfor brandt op extreem hoge temperaturen (tot 1.300°C) en kan zichzelf opnieuw ontsteken zolang er zuurstof aanwezig is. Zelfs als het vuur tijdelijk wordt gedoofd, kunnen achtergebleven resten later opnieuw ontbranden.

3. Effecten

Brandstichting: De intense hitte en het kleverige brandbare mengsel maken het bijna onmogelijk om branden te blussen met water. Vaak was zand of schuim nodig om de zuurstoftoevoer af te sluiten.

Schade aan mensen: Fosforbrandwonden zijn bijzonder ernstig, omdat witte fosfor in de huid kan doordringen en blijft branden totdat het volledig is opgebruikt. Dit kan leiden tot diepe weefselschade en in sommige gevallen fatale vergiftiging.

Psychologische impact: De angst voor brandbommen zorgde voor paniek en massale evacuaties, wat ze tot een effectief psychologisch wapen maakte.

Dan rest nog de vraag wie de bom bij Hasselt gedropt heeft, want zover ik weet is Hasselt in de Tweede Wereldoorlog niet gebombardeerd.
Ik stuit op een onderzoek van buro BeoBom. Zij doen onderzoek naar risicovolle plekken. In dit geval hebben zij onderzoek gedaan voor de Gemeente Kampen.
Hun conclusie is dat er in wo2 twee Britse vliegtuigen in de gemeente Kampen neergestort zijn. Eentje in Mastenbroek (deze was op de terugweg van Duitsland naar huis en had waarschijnlijk geen bommen meer aan boord) en eentje bij Grafhorst in het Ganzediep. Ik vermoed dat mijn brandbom van deze AVRO Lancaster I afkomstig is.

Waarom ik dat denk? Omdat in het rapport van BeoBom (bron: www.beobom.nl) is te lezen is dat bij dit vliegtuig diverse fosforrubberbrandbommen gevonden zijn. En in de loop der jaren zijn er meerdere explosieven in de omgeving geruimd.


Maar wat is er nu precies gebeurd?
In de nacht 12 op 13 juni 1943 vliegt een AVRO Lancaster, een zware Britse bommenwerper, over de gemeente. Het toestel is met zijn bommenlast op weg naar Bochum, in Duitsland, als het onderschept wordt door een Duitse nachtjager. De jager slaagt erin om de bommenwerper neer te halen. Midden in de nacht, zo rond 01:30 uur, stort het toestel neer in het Ganzendiep, ter hoogte van het plaatsje Grafhorst. Wanneer mensen uit het raam kijken om te zien wat het lawaai heeft veroorzaakt, zien zij een vuurzee op het Ganzendiep. Men vreest voor explosies van de aan boord mogelijk aanwezige munitie. De Grafhorstenaren weten dat het vliegtuig nog een bommenlast bij zich had, aangezien er binnen het dorp zelf ook enige brandbommen worden gevonden, welke brandjes veroorzaken. Uiteindelijk lijkt de schade mee te vallen voor de Grafhorstenaren. Voor de bemanning van de Lancaster is dit echter niet het geval: zes van hen verliezen het leven, de zevende, een Canadees, SGT. J.C. CORNISH 22 JAAR, overleeft, waarschijnlijk doordat hij zijn parachute heeft gebruikt, maar wordt bij een boerderij op de Kamperzeedijk gevangengenomen door de Duitsers. Hij wordt later bevrijdt en overleeft de oorlog.

Dat Grafhorst een enorme ramp bespaard is gebleven blijkt pas tien jaar later. In 1952 wordt er een onderzoek ingesteld naar het vliegtuigwrak van de Lancaster. Daarbij wordt, in het jaar daarop, op de bodem van het Ganzendiep een bom ontdekt van 4.000 lb, oftewel 1.800 kg. Zware bommen van dit gewicht werden vaak gebruikt bij aanvallen op Duitse steden of industrie.

Op verscheidene momenten in de jaren na de crash worden in het Ganzendiep nog 30lb (ca 13,5kg) fosforrubberbrandbommen aangetroffen die eens deel uitmaakten van de bommenlast van de Lancaster. De laatste keer was in 1996. De vraag is natuurlijk of er nog meer bommen zijn, of dat sinds de oorlog allemaal weggehaald zijn. Het antwoord is dus ja. Er lag er nog eentje bij Hasselt.

Wat ik overigens wel vreemd vind is dat Hasselt helemaal niet op de route van het vliegtuig lag, want de viermotorige Lancaster bommenwerper van het 460e
Squadron van de Royal Air Force was in de avond van 12 juni 1943 opgestegen vanaf de basis Binbrook in het graafschap Lincolnshire in Engeland voor een aanval op Bochum in Duitsland. Aan dit offensief
namen 503 vliegtuigen deel.

Volgens een Engelse bron gingen er 24
toestellen verloren, waarvan twee van het 460e Squadron, te weten
W-4316 (AR-Q) en W-4329. 

Ik vermoed dat de piloot nadat het vliegtuig door de Duitse jager geraakt was probeerde terug te vliegen naar Engeland. Daarbij is hij zeer waarschijnlijk al brandend over Mastenbroek gevlogen. Ondertussen hebben ze geprobeerd zich te ontdoen van hun lading. Helaas hebben 6 van de 7 helden deze vlucht niet overleefd. Ze liggen begraven op de begraafplaats in Grafhorst.

Houthandel in Hasselt

Deze blog gaat over de context van de vondst van een oude bijl of beitel, gevonden op een recent, voor het eerst geploegde akker aan de rand van Hasselt.

Toen ik deze beitel vond viel mij met name de bijzondere vorm op. De beitel beschikt over een schacht waar een steel in schacht gezeten heeft. Zoals bij een bijl, maar dan in het verlengde van de tool. Al snel kwam ik erachter dat het gaat om een beitel die gebruikt kan zijn om bomen te ontschorsen. Ik denk dat de term bolsterbeitel hier op zijn plek is.


Dan is natuurlijk de vraag of deze bolsterbeitel te linken valt aan de historie van Hasselt. En dat lijkt inderdaad het geval.

Wetenschapper J. Benders heeft er zelfs onderzoek naar gedaan en erover gepubliceerd. De publicatie ‘Houthandel en houtverwerking in Hasselt (Ov.) in de 15e en 16e eeuw’ doet vermoeden dat er wel degelijk een houtindustrieverleden is geweest.
Dr. F.W. Schmid heeft er ook over geschreven in Histo-Visie, jaargang 20, nr 2 (2020). Hieronder heb ik wat informatie opgenomen uit deze bronnen.

In Hasselt was in de late middeleeuwen
een houtmarkt gevestigd. De houthandel in Hasselt was belangrijker dan die in
Zwolle. Steden als Zwolle, Deventer en Kampen kochten hun hout in Hasselt. In de periode 1440 -1500 moet de jaarlijkse houtomzet ongeveer 16.000 gulden hebben bedragen. Hout— veelal eikenhout— kwam uit Twente en Westfalen. Niet alleen de handelaren profiteerden van deze handel maar ook ambachtslieden. In 1448 waren acht houtbewerkers in Hasselt actief. Zij hielden zich bezig met houtzagen, kuipen maken en wagens maken. Bijna 50 jaar later was hun aantal gegroeid tot 15.
Timmerlieden en houtdraaiers en een enkele kistenmaker hadden zich nu ook in de stad gevestigd. Daarna liep het aantal weer terug tot 8 (1508). Na 1540 zet zich
de teruggang definitief in.
Een van de houthandelaren was Willen Egbertsz. Gemiddeld waren in de periode 1521-1540 6 tot 7 houthandelaren in de stad actief.

Vanouds gebeurde het zagen van planken op ambachtelijke schaal in werkplaatsen. De boomstammen werden van de bast ontdaan, gedurende twee of meer jaar in het water gelegd, dit heet wateren, en vervolgens met een bijl (?) bewerkt tot ze een ongeveer vierkante doorsnede hadden. Met een raamzaag of een kraanzaag werd de stam daarna in de lengterichting doorgezaagd. Voordat de zaag was ontwikkeld, werd hout meestal gekloofd en gespleten. Dit gebeurde met name bij eikenhout, waarbij gebruik werd gemaakt van de aanwezige mergstralen (bron: Wikipedia).

Voor het verwijderen van de barst of schors gebruikten ze dus een bijl en/of beitel.

De vraag is of mijn versie te dateren valt in de 15e of 16e eeuw. Om daar achter te komen is het goed om wat meer informatie te hebben over het determineren van ijzer. Hiervoor vraag ik mijn vriend ChatGPT weer om hulp.

Het dateren van smeedijzeren gereedschappen kan lastig zijn, maar er zijn bepaalde kenmerken en contextuele aanwijzingen die een indicatie kunnen geven van de eeuw waarin ze zijn gemaakt. Hier zijn enkele factoren om rekening mee te houden:

1. Productiemethode De technieken en technologieën die werden gebruikt bij het smeden van ijzer zijn door de eeuwen heen geëvolueerd:

• Middeleeuwen (500-1500):

• Gereedschappen werden met de hand gesmeed in open smeedvuren.

• Vaak asymmetrisch en met sporen van handmatig hameren. CHECK!

• IJzer werd geproduceerd in kleine hoeveelheden in een laagoven.

• 16e-17e eeuw:

• Betere ijzerproductie door gebruik van hoogovens en verbetering van smederijtechnieken.

• Gereedschappen uit deze tijd zijn vaak fijner afgewerkt en minder robuust dan middeleeuwse exemplaren.

• 18e-19e eeuw:

• Mechanisatie en de industriële revolutie introduceerden machinaal gesmede onderdelen.

• Regelmatig gebruik van gietijzer voor handgrepen of decoratieve elementen.

• 20e eeuw:

• Massaproductie met duidelijke symmetrie en gladde oppervlakken door machinale bewerking.

2. Vorm en ontwerp

De stijl van een gereedschap kan een goede indicatie zijn van zijn leeftijd:

• Middeleeuwen: Eenvoudige en functionele ontwerpen zonder decoratie. CHECK!

• 16e-17e eeuw: Soms versieringen of inscripties, afhankelijk van het gebruik (bijvoorbeeld wapensmeden).

• 18e eeuw: Meer gestroomlijnde en gestandaardiseerde vormen door opkomende ambachtelijke trends.

• 19e eeuw: Decoratieve elementen door invloed van kunststromingen zoals neogotiek en art nouveau.

3. Merken en inscripties

• Smeedijzeren gereedschappen van de 18e eeuw en later hebben soms merktekens van de smid, fabrikant of gilde.

• In de 19e eeuw werden gereedschappen vaak gestempeld met serienummers of fabrieksnamen.

4. Gebruikssporen

• Gereedschappen uit de oudere perioden vertonen vaak ruwe afwerking en onregelmatigheden door handmatige productie CHECK!

• Latere gereedschappen, vooral uit de 19e eeuw, zijn vaak consistenter en tonen minder slijtsporen, dankzij verbeterde legeringen.

5. Context en vindplaats

• Archeologische vondsten: De context waarin gereedschap wordt gevonden kan veel zeggen over de tijdsperiode. CHECK!

• Familie-erfenissen of documentatie: Gereedschap dat wordt doorgegeven in families kan een datering krijgen op basis van historische vermeldingen.

6. Materiaalsamenstelling

• Oud ijzer uit de middeleeuwen bevat vaak onzuiverheden door het productieproces.

• Vanaf de 19e eeuw begon men staal te gebruiken, wat sterker en gladder is dan het traditionele smeedijzer.

7. Historische vergelijkingen

• Vergelijk het gereedschap met bekende en gedateerde voorbeelden uit musea, catalogi of archeologische publicaties.

Conclusie

Kijkend naar het materiaal (smeedijzer), de niet-symmetrische vorm, de historische context van houtindustrie in Hasselt, alsmede de vindplaats zijnde een kleilaag waarin meerdere laat middeleeuwse vondsten zijn gevonden, in de directie nabijheid van het Zwarte Water, durf ik wel te stellen dat deze bolsterbeitel een oudje is met historische waarde.
De beitel geef ik in bruikleen aan Stichting Archeologie Werkgroep Zwartewaterland.

Pistool of geweer?

Mijn oudijzerbak zit regelmatig vol met ijzeren pijpen. Niet te veel tijd aan spenderen. Maar dit keer was er toch iets waardoor ik wel mijn best ging doen om de dikke roestkorst eraf te halen. En gelukkig maar. Deze vondst is niet puntgaaf, maar wel gaaf. Het is namelijk een loop. Een loop van een pistool of van een musketgeweer? In deze blog ga ik proberen tot een goede determinatie te komen, waarbij ik weer gebruik zal maken van mijn digitale vriend ChatGPT.

Eerst maar eens beschrijven wat ik feitelijk uit de klei heb getrokken. Het is een holle ijzeren pijp van ca 16cm. Het ene uiteinde is mooi afgewerkt met een glad kantje. Beetje beschadigd, maar wel duidelijk te zien dat het een uiteinde van iets is. Het andere uiteinde bevat een lelijke breuklijn. De pijp is dus langer geweest.


Na het schoonmaken kwam er een gravering op de pijp aan het licht. Een dubbele ovaal met ca 5mm er tussen. In de ovaal is iets zichtbaar van een 6 of zo. Je moet wel goed kijken. Verder loopt er een horizontale streep over de lengte van de pijp.

Het lijkt er dus op dat het niet zomaar een pijp is. Het lijkt een fragment van een oude loop te zijn. Een loop met een diameter van 18mm. Ik stop er een musketkogel van 16mm in. Dat past wel, maar hij sluit niet mooi af. Het is niet geheel toevallig dat ik inmiddels ook een handvol musketkogels met een kaliber van 16mm op hetzelfde veld gevonden heb.

Ik vermoed dus dat er met musketkogels geschoten is, maar met welk wapen? Volgens een collega detectorist kan het van een vuursteenpistool zijn geweest, maar ik heb in het betreffende gebied nabij Hasselt eerder al eens een kruitmaatje gevonden en ook is er recent een poot voor een musketgeweer opgevist.

Maar wat zijn eigenlijk de verschillen tussen deze twee historische geweldenaren? Ik vraag mijn assistent ChatGPT.

De eerste vuursteenpistolen in Nederland dateren uit de late 16e eeuw, met een hoogtepunt in gebruik tijdens de 17e en 18e eeuw. Deze wapens maakten gebruik van een vuursteenslotmechanisme, dat rond het begin van de 17e eeuw populair werd en daarna breed verspreid raakte in Europa, waaronder Nederland.

In Nederland werden vuursteenpistolen vaak gebruikt door militairen, maar ook door burgers voor persoonlijke verdediging en jagers. De ontwikkeling en verfijning van vuursteensloten (zoals het Franse “snaphaanslot” en later het “Franse vuursteenslot”) zorgden ervoor dat deze pistolen betrouwbaarder en efficiënter werden.

Een vuursteenpistool schiet met losse ladingen van de volgende componenten, aangezien het een voorlaadwapen is:

1. Ronde loden kogels:

• Het projectiel in een vuursteenpistool is meestal een ronde loden kogel.

• De diameter van de kogel moest iets kleiner zijn dan de loop van het pistool, zodat deze gemakkelijk in de loop geschoven kon worden.

2. Buskruit:

• Als kruitlading gebruikte men zwart buskruit. Dit buskruit werd in de loop van het pistool gegoten als drijvende kracht om de kogel af te schieten.

• Een kleine hoeveelheid buskruit werd ook in het pannetje gedaan (naast de slagopening) om door de vuursteen te worden ontstoken.

3. Kogellapje of prop:

• Om de loden kogel stevig op zijn plek te houden en een betere afdichting te creëren, gebruikte men vaak een lapje stof of leer (kogellapje), dat om de kogel gewikkeld werd voordat deze in de loop werd gedrukt.

• Bij sommige vuursteenpistolen werd in plaats van een lapje een papieren of vilten prop gebruikt.

4. Vuursteen (ontstekingsmechanisme):

• Hoewel het geen munitie is, is de vuursteen een essentieel onderdeel van het vuursteenpistool. Deze steen slaat een vonk als hij tegen het staal van de smeedpan (ook wel frizzen genoemd) wordt geslagen. De vonk ontstak het kruit in het pannetje, wat vervolgens de hoofdlading in de loop ontstak.

Schietproces:

1. Voorladen: De schutter goot eerst buskruit in de loop, plaatste vervolgens de loden kogel (eventueel met een lapje) en duwde alles naar beneden met een laadstok.

2. Pannetje vullen: Een kleine hoeveelheid fijn buskruit werd in het ontstekingspannetje gedaan.

3. Spannen en afvuren: De haan met de vuursteen werd gespannen. Bij het overhalen van de trekker sloeg de vuursteen een vonk op de frizzen, die het kruit in het pannetje ontstak en zo de hoofdlading afvuurde.

Kenmerken van de gebruikte munitie:

• Kaliber: De loop van vuursteenpistolen varieerde sterk in kaliber (meestal tussen 10 en 20 mm). De kogels werden vaak handgegoten, zodat ze precies pasten bij de loop van het pistool.

• Effectiviteit: Door de beperkte snelheid en ronde vorm van de kogels was het bereik en de nauwkeurigheid van vuursteenpistolen beperkt (vaak niet meer dan 25 meter).

Het verschil tussen een musketgeweer en een vuursteenpistool zit vooral in hun ontwerp, gebruik en toepassing. Hier zijn de belangrijkste verschillen:

1. Afmetingen en gebruik

• Musketgeweer: Een musket is een lang vuurwapen dat doorgaans werd gebruikt door infanterie. Het was ontworpen voor gevechten op langere afstand en vereist vaak ondersteuning zoals een schoudersteun of bajonet.

• Vuursteenpistool: Een vuursteenpistool is veel korter en werd gebruikt als een handzaam, persoonlijk wapen. Het is geschikt voor gevechten op korte afstand.

2. Bereik en nauwkeurigheid

• Musketgeweer: Had een groter bereik (tot ongeveer 100 meter, afhankelijk van het model) en was nauwkeuriger, hoewel vroege musketten geen getrokken loop hadden en daardoor nog steeds relatief onnauwkeurig waren.

• Vuursteenpistool: Had een kort bereik (ongeveer 10-20 meter) en was minder nauwkeurig vanwege de korte loop en vaak de afwezigheid van richtmiddelen.

3. Mechanisme

• Beide wapens: Maakten gebruik van een vergelijkbaar mechanisme, vaak een vuursteenslot. Bij beide sloeg een vuursteen op een staalplaat, waardoor een vonk ontstond die het buskruit ontbrandde.

• Verschil: Het pistool was kleiner en eenvoudiger in ontwerp, vaak met minder krachtige ladingen dan een musket.

4. Gebruik in de strijd

• Musketgeweer: De musket werd gebruikt door linie-infanterie en speelde een cruciale rol in grootschalige veldslagen. Soldaten vuurden in salvo’s om het gebrek aan nauwkeurigheid te compenseren.

• Vuursteenpistool: Pistolen werden vaak gebruikt door cavalerie, officieren, en in situaties waar snel herladen of korte afstand belangrijker was (zoals persoonlijke verdediging).

5. Herlaadtijd

• Musketgeweer: Het herladen van een musket duurde langer vanwege de grotere kruitlading en kogels.

• Vuursteenpistool: Was sneller te herladen, maar had een veel lagere vuurkracht en lading.

Conclusie

• Musketgeweer: Geschikt voor lange afstand en veldslagen; groot, krachtig en minder draagbaar.

• Vuursteenpistool: Geschikt voor korte afstand en persoonlijke verdediging; klein, handzaam, en minder krachtig.

Tja, hebben we op basis van deze informatie nu een sluitende determinatie? Ik vrees van niet. Beide modellen zijn nog mogelijk.
Het antwoord zit hem in de gravering. Die ovaal kan duiden op een wapen uit Luik, maar een gelijke afdruk in de loop heb ik nog niet gezien.

Persoonlijk denk ik dat de kans het grootst is dat het een loop van een musketgeweer is. Dat komt door de breuk. Het is nu eenmaal logischer dat een langere loop afbreekt, dan een kortere. Tel daarbij de bijvondsten op, dan begrijp je wellicht mijn conclusie. Maar we gaan door met zoeken naar een gelijke. Zal binnenkort eens wat naslagwerken over wapens aanschaffen. Dit verhaal is nog niet af.


Tering

Dit verhaal begint met de vondst van een heel klein schildje. Zo leuk om dergelijke dingen te vinden. Natuurlijk denk je gelijk aan zilver, maar of dat terecht is moet nog blijken.

Ik zie een man en vrouw die elkaar strak aankijken. Ze zien er niet al te modern uit. Pofmouwtjes, de man wat langer haar. Boven en onder letters waar ik niet veel van kan maken. Iets met patenten..Tja. Ik moet denken aan een reclame-uiting of zo.
Eerst maar eens beter schoon zien te krijgen. Badje met zout en citroenzuur in aluminiumfolie. Krijg je een mooie chemische reactie van. En het haalt het meeste vuil er wel af.
En het lukt inderdaad om hem wat schoner te krijgen. De tekst kan ik pas helemaal lezen nadat ik een vergelijkbaar object heb gegoogeld. Het is een lepeltje met dezelfde figuurtjes erop.

De tekst onder luidt: “DRAAGT ELKANDERS LASTEN”. Boven staat de tekst “VOOR TBC PATIËNTEN”.

Hier kunnen we verder mee. De tekst “Draagt Elkanders lasten” is een bijbeltekst, maar ook de naam van een begrafenisvereniging uit Urk.
In 1898 uit pure noodzaak opgericht als ziekenfonds om te helpen voorzien in het levensonderhoud van de eilandbewoners bij ziekte en armoede. In de jaren na de oprichting breidde Draagt Elkanders Lasten haar diensten uit met een pensioenfonds, een hospitaalfonds en sinds 1908 ook een begrafenisfonds. Ook verstrekte men hypotheken. Toen na de Tweede Wereldoorlog de sociale diensten steeds beter geregeld werden in Nederland, werden de diensten stuk voor stuk opgeheven en bleef alleen het begrafenisfonds bestaan. Bron: del-Urk.nl

Dan hebben we nog de rond lopende tekst “Voor tbc patiënten”. Zou dat misschien iets met dat hospitaalfonds te maken hebben? Even googelen weer. We moeten eerst wat meer te weten zien te komen over de ziekte TBC.

Honderd jaar geleden was het volksziekte nummer één: tuberculose. Een longaandoening die fataal kon zijn. Tot er met de komst van antibiotica (vanaf 1944) eindelijk een behandeling mogelijk werd. Even leek het in de jaren ‘50 of de ziekte kon worden uitgeroeid, maar tegenwoordig zijn er juist wereldwijd weer meer slachtoffers.

De ontdekking van de tuberkelbacil in 1882 door Robert Koch was een doorbraak. Hiermee werd de oorzaak van de ziekte bekend. Koch kwam al snel na zijn ontdekking met ‘oud-tuberculine’, een extract van dode tuberkelbacteriën. Het middel bleek echter niet te werken, soms werkte zelfs averechts.

De ontdekking van de tuberkelbacil door Koch en het besef dat de ziekte besmettelijk was, was het startsein voor de bestrijding van tuberculose.
Dr van Grafhorst was er ook druk mee bezig. Hij vond in 1912 uit dat granuline een wondermiddel was.

Overal in Europa werden sanatoria geopend, waar patiënten met rust, goede voeding en gezonde lucht werden verpleegd. Het idee was ontstaan dat dit de patiënt goed zou doen. Het geld voor de sanatoria werd meestal bijeengebracht door verenigingen met een christelijke plicht of door de vakbond. In Nederland opende in 1898 het sanatorium in Heiloo als eerste zijn deuren. Ook mindervermogenden konden er terecht voor behandeling. Bron: anderetijden.nl

Het schildje is feitelijk een speldje uit begin 1900 als blijk van waardering voor Christelijke mensen die geld doneerden om tbc patenten naar een sanatorium te kunnen sturen. Geen zilver natuurlijk. Dat zou te duur zijn.

Speldje als dank voor donatie…

Kijk, deze lijkt er wel op. Uit navraag bij de eigenaar van het land waar ik het speldje gevonden heb blijkt dat het land verhoogd is met grond uit de polder. Een keer raden waar Urk ligt. Juist ja. Case closed!

Contragewicht

Ik heb laatst een stuk metaal gevonden dat extreem zwaar was voor zijn formaat. Het blijkt een contragewicht te zijn van 740 gram.

Uit onderzoek op internet kwam ik erachter dat het een gewichtje is van een oude zaaimachine. Dit gewicht werd gebruikt om de zaaipijpen van zaaimachines op diepte te houden. Zo kon men regelen hoe diep het zaad moest vallen.

Tegenwoordig worden ze niet meer gebruikt en er is ook maar weinig info over te vinden.
De meeste voorbeelden komen uit het Oostblok en zijn waarschijnlijk van voor de tweedewereldoorlog.
Ik kom slechts 1 verzameling tegen. Deze ligt in Tsjechië.

Een exacte gelijkenis zit er niet tussen, maar het is overduidelijk dat het hier om vergelijkbare gewichten gaat.

Ik kom ook een aantal exemplaren uit Leipzig, de voormalige DDR, tegen. Deze zijn gemaakt door Rudolf Sack.

In de oorlog werd zijn fabriek omgebouwd tot fabrikant van oorlogsspul. Er zijn veel Joden heengestuurd om er te werken.


Waar mijn exemplaar vandaan komt is lastig te achterhalen. Ook kan ik nog geen foto vinden waarop staat hoe het contragewicht bevestigd is. Gezien de vele hoefijzers die ik op dit land gevonden heb kan ik mij wel een beeld vormen van hoe vroeger het land geploegd en gezaaid werd.

Screenshot

In dit boek staat een verhaal over de tewerkstelling van onze mannen in Leipzig. Heel bijzonder.

Een exacte determinatie heb ik nog niet, maar ik denk dat ik warm ben. Contragewicht voor zaaimachines, begin 20e eeuw, geproduceerd in Oost-Europa.

Figurines

In het voorjaar van 2024 heb ik deze mensfiguren gevonden op een land nabij Hasselt. In deze blog ga ik onderzoeken wat hun oorsprong is.

Wat ik zie

Als ik beide beeldjes goed observeer dan zie ik een aantal gelijkenissen, maar ook een aantal verschillen.

Ze zijn beide niet helemaal gaaf meer. Er zijn stukjes van de benen af en bij het linker figuur ontbreekt de rechter arm. Helaas brak er ook een stukje van haar hoofddeksel af. Au.

Op het eerste gezicht lijkt de rechter een mansfiguur en de linker een vrouw. 

De man is massief en weegt 102 gram, de dame is hol en weegt iets minder, namelijk 79 gram. Ze zijn dus met verschillende technieken vervaardigd. Tevens zie ik bij de vrouw aan de achterzijde twee ‘hechtpunten’ alsof ze ergens aan vastgezeten heeft. Ik denk aan een klok of iets dergelijks. Aan de onderzijde aan de voorzijde zit ook een hechtpunt.

De man meet ca 90mm x 27mm x 16mm; de vrouw meet ca 90mm x 35mm x 25mm.

De man lijkt een zuidwester als hoofddeksel te dragen (wellicht een schipper?) en de vrouw meer een hoed van een heks, maar het kan ook een bonnet zijn uit de 19e eeuw. De man draagt stoere laarzen en lijkt iets vast te houden, broden of zo iets. De vrouw draagt een jurk en heeft niets in haar handen. Of is het toch een mansfiguur?

Het materiaal lijkt in beide gevallen een lood-tinlegering. Dat maak ik op uit het gewicht en uit de wijze van corroderen. Er zit bij beide een bruine patina op wat typisch is voor lood. Bij bronzen beelden is de patina meer groenig. Wellicht zijn ze nog verguld geweest, al kan ik daar niets meer van zien.

Ik heb een tijdje geleden de man al proberen te determineren, maar dat is vooralsnog op niets uitgelopen. Ik hoopte op een pelgrim, gezien zijn hoofddeksel, maar de specialist op het gebied van pelgrims (drs. Willy Piron, Hoofd Centrum voor Kunsthistorische Documentatie van de Radbouds Universiteit) heeft deze hypothese ontkracht. Het is geen pelgrim. Pelgrims dragen lange mantels en deze man duidelijk niet. Jammer, want Hasselt was vroeger een pelgrimsoord.

Zou het dan een mesheft zijn? Gedecoreerde messen waren in de 17e eeuw een indicatie van status. Op internet staat een voorbeeld van een mesheft uit de 16/17e eeuw van 70mm lang. Marc Ouwerkerk heeft erover geschreven, maar zijn vondst is van brons. Een mesheft zou kunnen, maar toch denk ik van niet. Er zijn geen aanwijzingen van bevestiging aan een lemmet en mijn versie lijkt mij niet van brons…

Ik ga nu met Google op zoek naar de vrouw, maar eerst kijk ik nog even op de PAN-site. Hierop staan alle gemelde archeologische vondsten uit ons lage landje. Tja, dat is zoeken in een hooiberg. Waar zoeken we op? De term ‘beeld’ geeft geen resultaten. Na wat speurwerk leer ik dat in de wetenschap een beeld kennelijk een figurine wordt genoemd.

Een figurine is een beeldje, gewoonlijk van een mens of mensachtig figuur, aldus Wikipedia.

Helaas zijn er weinig figurines van 90mm in de pan-database te vinden. Waarschijnlijk niet oud genoeg. Of toch iets zeldzaams?

In de PAN-database wordt wel een dateringsrichting aan figurines gegeven.

Verder lees ik op internet dat het begin 19e eeuw niet ongebruikelijk was om afgietsels van beelden te maken in lood, zink of een legering ervan.

Via Google image kom ik erachter dat er in de 19e eeuw diverse klokken zijn gemaakt met beelden erop. Zo kom ik een Victoriaanse mantelklok uit 1860 tegen waarop een vergelijkbaar bronzen beeldje afgebeeld staat. Opvallend is het hoofddeksel met het tuutje.

Als ik het beeldje op de foto goed bekijk lijkt het toch om een mansfiguur te zijn (is hij dan wellicht een pelgrim? Hij draagt wel een mantel. De datering van de klok komt aardig overeen met eerdere  vondsten op dit land (zoals de Victoriaanse camee). 

Wat hier niet klopt is het materiaal. De beelden op de klok zijn van brons en mijn beelden zijn van een lood-tin legering. Tja. 

Toch nog maar even verder zoeken. Ik vind meer klokken met stoere mannen met laarzen en lange mantels. In dit geval gaat het om 19e eeuwse Egyptische bronzen mantelklokken. Ik denk dat het tijdsbeeld gelijk is dat van mijn figuren. 

Maar helaas nog steeds geen exacte determinatie al heb ik wel het idee dat ik het in de richting van de 19e eeuwse mantelklokken moet zoeken. Wie meer info heeft mag het zeggen.

Helmplaat van Nederlandse soldaat

Het vinden van WO2-objecten is altijd bijzonder, maar deze had ik niet zo snel herkend. Het koperen gestanste plaatje zag eruit als een dekseltje. Dacht wel dat het oud was, want ik dacht een loopkar te herkennen.

Gelukkig zag Google image het beter. Het blijkt een helmplaat te zijn van een M27-helm van een Nederlandse soldaat. Maar waarom vind ik een helmplaat zonder helm? Da’s toch raar? Is die soldaat wellicht gesneuveld?

Als je goed kijkt zie je de klimmende leeuw. Helaas is hij aan de onderkant dubbel gevouwen. Het heeft geleefd zullen we maar zeggen. Of komt het doordat hij van de M27-helm verwijderd is?

De ontwerper van de ovale roodkoperen helmplaat is Christiaan Johannes ‘Chris’ van der Hoef. (1875-1933). Chris was in de periode 1900-1930 een vooraanstaand en vernieuwende ontwerper van o.a. penningen.

In 1940 veroorzaakte de helmplaat grote opschudding en angst tijdens gevechten in de meidagen. Het plaatje met de Nederlandse leeuw ‘en reliëf’ bleek de mogelijkheid tot afschampen van kogels, die de helm troffen ongunstig te beïnvloeden. De helmplaat, die veelal werd gepoetst, werd verwijderd met de stormdolk, bajonet of een ander scherp voorwerp. ‘Op last van de legerleiding moest de plaat van de helm worden verwijderd, omdat bij de Duitse aanval in mei 1940, was gebleken, dat bij een kogeltreffer op de plaat hier stukken vanaf spatten een soms oogletsel brachten. De kale stalen plek werd gecamoufleerd met verf en zand. Niet wetende dat tijdens eerdere schietproeven al was gebleken dat de helmplaat de kans op doorboring van kogels en scherven niet verhoogde, de voorzijde met helmplaat bood zelfs meer weerstand dan de achterzijde!

Het lijkt er dus op dat de eigenaar van de helm doelbewust zijn helmplaat verwijderd heeft. Zodat ik hem 84 jaar later weer kon vinden. Hopelijk heeft deze held de oorlog overleefd.

Zilveren munt uit de middeleeuwen

Wat een vondst! Het is mijn eerste middeleeuwse zilveren munt. Een denier of penning. Hij is slechts 12mm in doorsnede en weegt ca 0,5 gram. En hij is vrij zeldzaam.

Aan de voorzijde staat op een wapenschild de Gelderse leeuw afgebeeld. Verder stonden er oorspronkelijk de letters ‘CO M ES’ op vermeld. De letters ‘ES’ zijn er in de loop der eeuwen helaas afgesleten.

Op de keerzijde staat een dubbelkoppige adelaar. De beide koppen zijn nog goed zichtbaar. Ook hier staat een tekst vermeld, namelijk ARN. Wat mist zijn de letters ‘EYM’. Samen vormt het de letters van de stad Arnhem in de middeleeuwen. Leuk weetje is dat de naam Arnhem feitelijk ‘Adelaarshuis’ betekent.

Hij is dus geslagen door een graaf uit Arnhem. Dat moet graaf Otto II zijn geweest. Hij regeerde van 1229 tot 1271.

Otto II van Gelre (ca. 1215 — 10 januari 1271) bijgenaamd de Lamme, was graaf van Gelre en Zutphen. Hij is de zoon van graaf Gerard III van Gelre en Margaretha van Brabant. De graaf had vele bijnamen. Voorbeelden hiervan zijn de Lamme, de Paardenvoet of de Hinkende vanwege zijn klompvoet. Een andere bijnaam was ook wel de Stedenstichter vanwege de vele plaatsen die hij tot stad verhief. In 1233 verleende hij stadsrechten aan Arnhem. Rond die tijd zal dit muntje ook zijn geslagen. Best kunstig om zoveel detail op zo’n klein muntje te kunnen slaan. Op internet vond ik een tekst over de stichting van de stad Arnhem door deze graaf.

Het leuke is dat de tweekoppige adelaar nog steeds een prominente rol speelt in Arnhem. Bijvoorbeeld in het logo van Vitesse.

Dan rest enkel nog de vraag hoe dit oude muntje in Hasselt verzeilt is geraakt. Daar zullen we nooit achter komen. Het kan opgebrachte grond zijn (volgens de boer waar het land van is is het land opgehoogd met grond uit Flevoland). Het kan ook een verloren muntje zijn uit de beginjaren van de stad Hasselt. Mogelijk verloren door een pelgrim. Hasselt was in de 13e eeuw immers een Pelgrimsoord. Daarover meer in een volgende blog.

Percy Shaw’s Catseye

Kinderen die in Engeland later rijk willen worden wordt gezegd dat ze dan net zo moeten worden als Percy Shaw. Shaw was een beroemde Britse uitvinder van het katteoog, een reflecterend object dat vroeger in het midden van een wegdek werd geplaatst.

Ik heb ook een heuse Shaw Catseye in huis, al was ik mij daar tot gisteren niet bewust van. Ik was echt in de veronderstelling dat ik een taatspot uit de oude molen van Hasselt gevonden had, totdat Marc uit Maassluis mij kennis liet maken met mister Percy.

Dat vraagt om een toelichting. Nou, Het zit zo. Marc was bij toeval op mijn website terecht komen en hij bleef geïntrigeerd hangen bij de taatspot. Hij herkende het object, reed met zijn fiets naar een oud straatje in Maassluis en zag daar de ’taatspot’ in het wegdek liggen. Hij maakte een foto en mailde hem naar mij. Op brute wijze werd mijn eerdere determinatie ontkracht.

Cats eye houder Maassluis

Au, dat doet pijn. Als voorvechter van waarheidsvinding zat ik er dit keer echt goed naast. Pure tunnelvisie. Overmand door nostalgisch wensdenken heb ik zelfs een molenaar meegekregen in mijn gedachtenrichting. Al hoewel, hij had toch ook wel zijn bedenkingen. Lees het blog ’Potje met vet’ nog maar eens goed.

Mijn Shaw Catseye houder

Ik besluit het blog in takt te laten, maar er wel een klein nawoord erbij te schrijven. De waarheid moet verteld worden.

Na een klein onderzoekje op internet kom ik uit bij het British Design Museum. Die Percy Shaw blijkt in 1937 een succesvol object uitgevonden en wereldwijd vermarkt te hebben.

Poster van de Catseye


Er gaan verschillende verhalen de ronde over hoe Percy op het idee van de katteogen is gekomen. Hij is inmiddels overleden, dus hij kan het ons niet meer vertellen.

Wat we wel weten is dat het destijds een slim ontwerp was. Het was de tijd van de eerste automobielen. En dus ook van de eerste ongevallen met auto’s, veelal door gebrek aan goed zicht. Lantaarnpalen waren er nog amper. Best slim dus om gebruik te maken van het principe van weerkaatsing van licht. En door het verend ontwerp bleef het apparaat in takt als men eroverheen reed. Heel duurzaam dus.

Dankzij Percy Shaw zijn Maassluis en Hasselt in de vorige eeuw een stuk veiliger geworden. En dankzij Marc heb ik aan één vondst twee verhalen overgehouden. Bedankt!

Apostel uit Hasselt

We gaan zo’n 450 jaar terug in de tijd. Ik neem u mee naar een Hanzestad op nog geen 10 minuten rijden van mijn huis, Hasselt. In 1600 waarschijnlijk een klein uurtje met paard en wagen.

Hasselt ca 1600

Het plaatsje heeft al een tijdje mijn interesse. In de weilanden aan onze kant van het Zwarte Water vind ik met regelmaat herinneringen aan het verleden van Hasselt. De welbekende musketkogels liggen er letterlijk voor het oprapen, tenminste, als je bereid bent om ze op te sporen. Mijn detector vind ze heerlijk. Het geluid van lood klinkt als een jachthoorn over de velden. Niet geheel toevallig dat ik deze metafoor gebruik, want vorige week was het eerste advent, en tot mijn verbazing stond er een man met een enorme jachthoorn over de velden te blazen. Niet alle tradities zijn door de corona om zeep geholpen.

Musketkogels

Gisteren was ik er weer in de buurt. Gewapend met detector en jachthond ging ik ter velde. En ook dit keer was het raak. Werderom een knoeperd van een musketkogel. En een kleintje. Musketkogels werden afgevuurd door musketiers.

Op een gegeven moment vond ik er een glimmend stukje metaal in de vorm van een kegel. Zo’n 8 cm lang.

Kruitmaatje

In eerste instantie dacht ik aan brons, maar brons is heel hard en in mijn kegel zat een deuk. Ik heb werkelijk geen idee, maar dit zou zo maar eens iets bijzonders kunnen zijn. Thuis aangekomen ben ik direct te rade gegaan bij mijn zoekvrienden op Facebook.

Het lijkt op een ‘kruitmaatje’. Nooit van gehoord, maar bij nader inzien heb ik ze wel eens gezien. Niet in het echt, maar op een plaatje van een musketier.

Musketier

Zie je die spullen aan zijn gordel hangen? Nou dat zijn nou kruitmaatjes. Ze werden gebruikt in de 16e en 17e eeuw om de musketkogels mee af te vuren. Bijzonder om te weten dat deze gasten dus ook bij ons in de buurt actief zijn geweest. Het is de tijd van de 80-jarige oorlog.

In het canonvannederland.nl vind ik de volgende passage over de strijd waar mijn vondst waarschijnlijk getuige van was.


“In 1582 was het geduld van de staatsen op. Bij verrassing werd Hasselt op 26 oktober door een groep soldaten uit Steenwijk bezet. De Grote of Sint Stephanuskerk werd geplunderd, een beeldenstorm die in 1588 nog eens grondig werd overgedaan. Niet lang daarna werden de katholieke erediensten verboden en vervangen door die van de protestanten.”

Op internet vind ik een mooie blog van Mark Zwartelé, van de Werkgroep Archeologie Hulst. Daar hebben ze bij baggerwerkzaamheden een groot aantal kruitmaatjes gevonden. Hij legt uit hoe de musketiers in die tijd te werk gingen.

“Hoogstwaarschijnlijk werden de kleinere kogels afgevuurd met een arckebus, ook wel haakbus of musketon genoemd. Het wapen was kleiner, lichter en handiger in gebruik dan een musket. De gebruikers, arckebussiers genaamd, dienden dan ook vaak bij de ruiterij.
De grotere loden kogels kwamen uit de loop van een musket. Dit wapen was veel zwaarder om te dragen, lastiger om te hanteren, maar schoot wel veel verder. Vanwege het gewicht bezat de musketier een “fourquet”, een gevorkte steun, waarmee hij de loop ondersteunde bij het afvuren. Musketiers hoorden bij het voetvolk, traden altijd op in groepsverband en werden op het slagveld tegen cavalerieaanvallen beschermd door afdelingen piekeniers.
Beide schietgeweren, arckebus en musket, waren aanvankelijk lontslotwapens. Om ze af te vuren was een brandend lont nodig. Daarvan had de schutter er dus altijd een aantal bij zich en hij moest er zorg voor dragen dat het lont tijdens het gevecht niet uitging. Slag leveren in de stromende regen was er dus destijds niet bij.
Een arckebussier had verder twee (bus)kruitflessen bij zich. Een grote waar hij het grovere kruit voor de hoofdlading in bewaarde en een kleinere met fijn kruit voor de ontsteking met behulp van het brandende lont. De kogels zaten in een klein tasje aan de gordel.
“

Kruitmaatjes, voorbeeld uit Hulst

“Een musketier droeg een lederen riem of bandelier schuin over de schouder en daar hingen twaalf kruitmaatjes aan. Vanwege dit aantal werden ze ook wel apostelen genoemd. Ze waren vervaardigd van hout, koper of tin en overtrokken met leer. IJzer was uit den boze want dat zou vonken kunnen veroorzaken, met fatale gevolgen voor de drager zelf. Twee oogjes maakten het mogelijk ze met koordjes aan de bandelier op te hangen. Ook de dekseltjes zaten aan deze koordjes vast zodat die in het heetst van de strijd niet verloren konden worden, want het was de bedoeling dat de apostelen bij het volgende gevecht weer dienst zouden doen. In elk maatje zat dus een van te voren afgepaste lading voor één schot en ze konden opnieuw gevuld worden. Het kruit voor de ontsteking zat net als bij de arckebussier in een aparte fles aan de gordel. Daar hingen ook de extra lonten aan, alsmede een tasje voor de kogels.”

Molenstreng

Met deze informatie krijgt de geschiedenis van dit gebied nog meer lading. Eerst het verhaal over de molen en nu het kruitmaatje. Prachtig toch?

Ik haal mijn maatje voor de zoveelste keer weer uit het riet van de Molenstreng. Ook Buddy vindt het geweldig hier. We komen hier graag nog een keer terug. Op zoek naar de andere 11 apostelen. Fijne kerst iedereen!

Potje met vet

Het is herfstvakantie. Nou ja vakantie, meer studieverlof. Aan het einde van de week heb ik examen van de opleiding tot Lean Six Sigma Blackbelt. Een lang gekoesterde wens komt uit. Vandaar die week vrij.

Zo’n tien kilometer verderop woont mijn broer. Ook hij is een week vrij. Ik deel met hem vrijwel al mijn vondsten. De vaste lezers van mijn blogs weten dat hij dan het literatuuronderzoek verricht. Nu ben ik aan het zoeken in de Mastenbroekerpolder vlakbij een plek waar een oud kasteeltje heeft gestaan. De vondst van een pommel van een zwaard bevestigde al dat het interessante grond is voor de amateur bodemzoeker.

Mijn broer start zijn onderzoek en wordt getriggerd door een beekje achter de percelen waar ik aan het zoeken ben. Het beekje heet “De Molenstreng”. Vervolg je de streng dan kom je uit in Hasselt op een plek waar je dan een molen zou verwachten. Nou, dat klopt ook. De Hasseltermolen heeft daar van 1818 tot 1860 gestaan. En nu, nu is het een braakliggend grasveld van Natuurmonumenten. En nu is het dus ook een kans om restanten van die oude molen te gaan vinden.

Poldermolen

De molen was een poldermolen van het type grondzeiler, een bovenkruier (alleen de kap kan kruien). Hij was rietgedekt met een stenen achtkantige onderbouw. Hij beschikte over een scheprad van ca 6 meter doorsnede, 47 cm breed en voorzien van 24 schoepen (bron: Molendatabase). Op de foto zie je een vergelijkbare molen.

In 1818 is de molen gebouwd bij de sluis tegenover Hasselt. Ongeveer gelijk met twee andere molens bij Lutterzijl en Venerietezijl. Tussen de watermolen en de sluis bevond zich een omkade voorboezem van 80 x 50 meter. De molen stond hier bijna 100 meter van de dijk af. Het was een keersluis, wat inhield dat tijdens het malen de vaarverbinding verbroken was. Je kunt je voorstellen dat dit in die tijd tot ferme ruzies heeft geleid.

Helaas konden de molens het niet aan om de Mastenbroeker polder droog te houden. Toen het gebruik van stoom zijn intrede deed zijn de molens vervangen door stoomgemalen. (bron: Zeven eeuwen Mastenbroek, Omarmd door IJssel en Zwartewater, IJsselakademie, 1995)

Plaats delict

Ok, studeren is leuk en noodzakelijk, maar je moet toch ook zo af en toe ontspannen. Toch? Je raadt het al. Ruud en ik zijn direct ‘s maandags naar Hasselt gereden. Door Ruud’s vooronderzoek konden we de plek van de molen tot op de meter nauwkeurig terugvinden. De boezem is gedempt. Er staat gras op met bebossing aan beide kanten. Daar waar de molen gestaan heeft zien we een verhoging in het landschap. Daar begint onze zoektocht.

De eerste piep is een duit. Bingo. De tweede een enorme hakbijl. Moeilijk te dateren, maar het maakt wel duidelijk dat we de eersten zijn die sinds de sloop in 1860 de grond op aanwezigheid van spannende metalen checken. Wouw. Onze fantasie slaat op hol. Zouden we nog iets van de molen kunnen aantreffen? Helaas die dag niet meer. Wel een prachtig bewerkt messing ‘glaasje’.

Tinnen kelk uit een kerk

Tegen twaalven die middag haakt Ruud af. Helaas geen spoor van de molen aangetroffen. Ik loop nog een rondje en vind nog een aantal oude duiten. Ik zou nog graag langer zoeken, maar mijn verstand zegt mij dat ik moet gaan studeren. Ook mijn passie voor Lean Six Sigma verdient aandacht.

De volgende ochtend ga ik terug. Iets in mij zegt mij dat er meer moet zijn. Een stukje van de molen af is nog het zoeken waard. En mijn gevoel was juist. Een vet signaal doet mijn hart overslaan. Zou het dan toch? Ik graaf een ca 4 kg zwaar object uit de grond. Tja, die past niet in mijn zoektas.

Ik leg hem apart op een electrakast om hem later op te halen. Dan app ik de foto van de ‘asbak’ door naar Ruud. Hij reageert gelijk. Ja, dat is van de molen. Kan niet anders. Gelijk appt hij mij de details van de molen. Jan de Graaf was de eerste molenaar in 1818. Hij moet dit stuk ijzer gekent hebben.

Ik loop nog een rondje over het feitelijk verboden terrein. Natuurmonumenten heeft een bordje geplaatst dat we de weidevogels niet mogen storen. Geen vogel te zien. Het is oktober. Ondertussen vind ik nog een aantal muntjes. Een duit uit 1880 en een gulden uit 1980. Precies 100 jaar verschil. Hoe leuk. En dan hoor ik ineens een aantal trekkers mijn speelveld betreden. Ze komen het gemaaide gras ophalen. Bedankt voor het maaien, maar ik ben nog niet klaar hier. Ik verstop mij achter het struikgewas. Als ze mijn molenstuk maar niet meenemen. Een half uurtje later is de kust weer veilig en snel ik naar mijn buit. Gelukkig ligt hij er nog.

Thuis aangekomen start de schoonmaak. Er komt een fraai stukje industrieel gietijzer onder het roest vandaan. Het gaat er relatief eenvoudig vanaf. Dat komt door het vet of de olie. Daar is men destijds niet te zuinig mee omgesprongen.

De afmetingen van de bak zijn 17,5 cm lang bij 14 cm breed en 4,5 cm dik of beter gezegd, diep. Aan de twee lange zijden bevinden zich twee vingers. Aan de korte zijde inkepingen.

Eén van mijn facebook-vrienden suggereert iets van een taatspot. Nooit van gehoord.

Een taats is de stalen pen-tap onderaan een verticaal geplaatste as, die in een holte draait. De taats kan als een glijlager in de taatspot of taatskom draaien. Taatsen bevinden zich in schepen, maar ook in …MOLENS!

Om er zeker van te zijn dat het niet toevallig een scheepstaats zou zijn eerst maar eens de vraag voorgelegd aan een oude scheepsbouwer uit Elburg (nog bedankt Bert). Is het van een schip of niet? Al snel kwam een ontkennend antwoord. Ik wist het wel. Maar toch. Beter maar even gechekt. Hoe blij kun je zijn met een negatief antwoord.

Maar hoe nu verder? Op internet is genoeg te vinden over taatsen en taatspotten, maar dit modelletje popte nergens op. En van mijn broer kwam ook geen respons. Kennelijk hebben we te maken met een uniek object dat de weg naar het digitale tijdperk nog niet gevonden heeft.

Als internet geen soulaas biedt zullen we toch op zoek moeten naar een molenaar van een vergelijkbare molen. En die heb ik gevonden. In het Nationaal Openluchtmuseum staat een vergelijkbaar exemplaar.
Na het opsturen van de foto’s kwam er positief bericht van Mark Dwarswaard, Gastheer Ambacht Molenaar van het Nederlands Openluchtmuseum:

“Dit zou inderdaad een gedeelte van een taatspot kunnen zijn, in molens gebruikt als onderlagering voor spillen (= verticale assen); de koningsspil (centrale spil in alle bovenkruiers); de bolspil (die in pel- en korenmolens de loper, ofwel draaiende steen draagt); en de steenspil in verf-, papier- en oliemolens (onderdeel van de plet-, kantstenen of kollergang). 

Er ontbreekt hier de binnenpot, de daadwerkelijke lagering; dit is een smeedijzeren potje (dat past in de hier aanwezige ruimte tussen de pennen of bouten), vaak heeft deze binnenpot een bolle bodem. Hierop draait dan de taats van de spil, ook vaak met een bol uiteinde; bol op bol, dus zo min mogelijk wrijving. In dit binnenpotje zit dan olie; van oudsher wordt “wonderolie”, maar ook wel raapolie gebruikt. Tegenwoordig wordt wel cardanolie gebruikt; de spil is nl een langzaamloper.
”

”Het binnenpotje wordt in de buitenpot gezet en gesteld (zodat deze in het hart van de as en taats staat. Dan wordt de ruimte tussen binnen- en buitenpot opgevuld met vloeibaar lood. Na afkoeling vormen binnen- en buitenpot één geheel.
Bijzonder aan deze buitenpot is dat er 4 pinnen (of bouten ?) in zitten om het stellen te vereenvoudigen en zuiver te krijgen. Vreemd is echter hier dat dit dan maar in één richting kan geschieden. Bij een van de maalkoppels van de Opwettense watermolen tussen Eindhoven en Nuenen zitten in de buitenpot ook stelbouten, maar dan aan iedere zijde één, waarmee de binnenpot zuiver is af te stellen. Zo’n dergelijke taatspot heb ik ook eens in Denemarken in een watermolen gezien.
” Bedankt voor de bevestiging Mark!

Dus toch bijzonder dit potje met vet. En nu voor iedereen digitaal beschikbaar. Heb weer veel geleerd en niet alleen over molens. Ben geslaagd voor mijn examen hoor. En Natuurmonumenten, die anonieme donatie van vandaag, 1x raden. 😉

Update mei 2022: de determinatie van de taatspot blijkt toch niet juist te zijn. Het is een Shaw Catseye. Met dank aan Marc uit Maassluis. Ook interessant en zeker een aparte blog waard.