Potje met vet

Het is herfstvakantie. Nou ja vakantie, meer studieverlof. Aan het einde van de week heb ik examen van de opleiding tot Lean Six Sigma Blackbelt. Een lang gekoesterde wens komt uit. Vandaar die week vrij.

Zo’n tien kilometer verderop woont mijn broer. Ook hij is een week vrij. Ik deel met hem vrijwel al mijn vondsten. De vaste lezers van mijn blogs weten dat hij dan het literatuuronderzoek verricht. Nu ben ik aan het zoeken in de Mastenbroekerpolder vlakbij een plek waar een oud kasteeltje heeft gestaan. De vondst van een pommel van een zwaard bevestigde al dat het interessante grond is voor de amateur bodemzoeker.

Mijn broer start zijn onderzoek en wordt getriggerd door een beekje achter de percelen waar ik aan het zoeken ben. Het beekje heet “De Molenstreng”. Vervolg je de streng dan kom je uit in Hasselt op een plek waar je dan een molen zou verwachten. Nou, dat klopt ook. De Hasseltermolen heeft daar van 1818 tot 1860 gestaan. En nu, nu is het een braakliggend grasveld van Natuurmonumenten. En nu is het dus ook een kans om restanten van die oude molen te gaan vinden.

Poldermolen

De molen was een poldermolen van het type grondzeiler, een bovenkruier (alleen de kap kan kruien). Hij was rietgedekt met een stenen achtkantige onderbouw. Hij beschikte over een scheprad van ca 6 meter doorsnede, 47 cm breed en voorzien van 24 schoepen (bron: Molendatabase). Op de foto zie je een vergelijkbare molen.

In 1818 is de molen gebouwd bij de sluis tegenover Hasselt. Ongeveer gelijk met twee andere molens bij Lutterzijl en Venerietezijl. Tussen de watermolen en de sluis bevond zich een omkade voorboezem van 80 x 50 meter. De molen stond hier bijna 100 meter van de dijk af. Het was een keersluis, wat inhield dat tijdens het malen de vaarverbinding verbroken was. Je kunt je voorstellen dat dit in die tijd tot ferme ruzies heeft geleid.

Helaas konden de molens het niet aan om de Mastenbroeker polder droog te houden. Toen het gebruik van stoom zijn intrede deed zijn de molens vervangen door stoomgemalen. (bron: Zeven eeuwen Mastenbroek, Omarmd door IJssel en Zwartewater, IJsselakademie, 1995)

Plaats delict

Ok, studeren is leuk en noodzakelijk, maar je moet toch ook zo af en toe ontspannen. Toch? Je raadt het al. Ruud en ik zijn direct ‘s maandags naar Hasselt gereden. Door Ruud’s vooronderzoek konden we de plek van de molen tot op de meter nauwkeurig terugvinden. De boezem is gedempt. Er staat gras op met bebossing aan beide kanten. Daar waar de molen gestaan heeft zien we een verhoging in het landschap. Daar begint onze zoektocht.

De eerste piep is een duit. Bingo. De tweede een enorme hakbijl. Moeilijk te dateren, maar het maakt wel duidelijk dat we de eersten zijn die sinds de sloop in 1860 de grond op aanwezigheid van spannende metalen checken. Wouw. Onze fantasie slaat op hol. Zouden we nog iets van de molen kunnen aantreffen? Helaas die dag niet meer. Wel een prachtig bewerkt messing ‘glaasje’.

Borrelglaasje?

Tegen twaalven die middag haakt Ruud af. Helaas geen spoor van de molen aangetroffen. Ik loop nog een rondje en vind nog een aantal oude duiten. Ik zou nog graag langer zoeken, maar mijn verstand zegt mij dat ik moet gaan studeren. Ook mijn passie voor Lean Six Sigma verdient aandacht.

De volgende ochtend ga ik terug. Iets in mij zegt mij dat er meer moet zijn. Een stukje van de molen af is nog het zoeken waard. En mijn gevoel was juist. Een vet signaal doet mijn hart overslaan. Zou het dan toch? Ik graaf een ca 4 kg zwaar object uit de grond. Tja, die past niet in mijn zoektas.

Ik leg hem apart op een electrakast om hem later op te halen. Dan app ik de foto van de ‘asbak’ door naar Ruud. Hij reageert gelijk. Ja, dat is van de molen. Kan niet anders. Gelijk appt hij mij de details van de molen. Jan de Graaf was de eerste molenaar in 1818. Hij moet dit stuk ijzer gekent hebben.

Ik loop nog een rondje over het feitelijk verboden terrein. Natuurmonumenten heeft een bordje geplaatst dat we de weidevogels niet mogen storen. Geen vogel te zien. Het is oktober. Ondertussen vind ik nog een aantal muntjes. Een duit uit 1880 en een gulden uit 1980. Precies 100 jaar verschil. Hoe leuk. En dan hoor ik ineens een aantal trekkers mijn speelveld betreden. Ze komen het gemaaide gras ophalen. Bedankt voor het maaien, maar ik ben nog niet klaar hier. Ik verstop mij achter het struikgewas. Als ze mijn molenstuk maar niet meenemen. Een half uurtje later is de kust weer veilig en snel ik naar mijn buit. Gelukkig ligt hij er nog.

Thuis aangekomen start de schoonmaak. Er komt een fraai stukje industrieel gietijzer onder het roest vandaan. Het gaat er relatief eenvoudig vanaf. Dat komt door het vet of de olie. Daar is men destijds niet te zuinig mee omgesprongen.

De afmetingen van de bak zijn 17,5 cm lang bij 14 cm breed en 4,5 cm dik of beter gezegd, diep. Aan de twee lange zijden bevinden zich twee vingers. Aan de korte zijde inkepingen.

Eén van mijn facebook-vrienden suggereert iets van een taatspot. Nooit van gehoord.

Een taats is de stalen pen-tap onderaan een verticaal geplaatste as, die in een holte draait. De taats kan als een glijlager in de taatspot of taatskom draaien. Taatsen bevinden zich in schepen, maar ook in …MOLENS!

Om er zeker van te zijn dat het niet toevallig een scheepstaats zou zijn eerst maar eens de vraag voorgelegd aan een oude scheepsbouwer uit Elburg (nog bedankt Bert). Is het van een schip of niet? Al snel kwam een ontkennend antwoord. Ik wist het wel. Maar toch. Beter maar even gechekt. Hoe blij kun je zijn met een negatief antwoord.

Maar hoe nu verder? Op internet is genoeg te vinden over taatsen en taatspotten, maar dit modelletje popte nergens op. En van mijn broer kwam ook geen respons. Kennelijk hebben we te maken met een uniek object dat de weg naar het digitale tijdperk nog niet gevonden heeft.

Als internet geen soulaas biedt zullen we toch op zoek moeten naar een molenaar van een vergelijkbare molen. En die heb ik gevonden. In het Nationaal Openluchtmuseum staat een vergelijkbaar exemplaar.
Na het opsturen van de foto’s kwam er positief bericht van Mark Dwarswaard, Gastheer Ambacht Molenaar van het Nederlands Openluchtmuseum:

Dit zou inderdaad een gedeelte van een taatspot kunnen zijn, in molens gebruikt als onderlagering voor spillen (= verticale assen); de koningsspil (centrale spil in alle bovenkruiers); de bolspil (die in pel- en korenmolens de loper, ofwel draaiende steen draagt); en de steenspil in verf-, papier- en oliemolens (onderdeel van de plet-, kantstenen of kollergang). 

Er ontbreekt hier de binnenpot, de daadwerkelijke lagering; dit is een smeedijzeren potje (dat past in de hier aanwezige ruimte tussen de pennen of bouten), vaak heeft deze binnenpot een bolle bodem. Hierop draait dan de taats van de spil, ook vaak met een bol uiteinde; bol op bol, dus zo min mogelijk wrijving. In dit binnenpotje zit dan olie; van oudsher wordt “wonderolie”, maar ook wel raapolie gebruikt. Tegenwoordig wordt wel cardanolie gebruikt; de spil is nl een langzaamloper.

Het binnenpotje wordt in de buitenpot gezet en gesteld (zodat deze in het hart van de as en taats staat. Dan wordt de ruimte tussen binnen- en buitenpot opgevuld met vloeibaar lood. Na afkoeling vormen binnen- en buitenpot één geheel.
Bijzonder aan deze buitenpot is dat er 4 pinnen (of bouten ?) in zitten om het stellen te vereenvoudigen en zuiver te krijgen. Vreemd is echter hier dat dit dan maar in één richting kan geschieden. Bij een van de maalkoppels van de Opwettense watermolen tussen Eindhoven en Nuenen zitten in de buitenpot ook stelbouten, maar dan aan iedere zijde één, waarmee de binnenpot zuiver is af te stellen. Zo’n dergelijke taatspot heb ik ook eens in Denemarken in een watermolen gezien.
” Bedankt voor de bevestiging Mark!

Dus toch bijzonder dit potje met vet. En nu voor iedereen digitaal beschikbaar. Heb weer veel geleerd en niet alleen over molens. Ben geslaagd voor mijn examen hoor. En Natuurmonumenten, die anonieme donatie van vandaag, 1x raden. 😉

 325 total views